Balambangan (Lekkerkerker, 1923)

As historical background, below follows a rendering of Dutch article 'Balambangan', by C. Lekkerkerker (1923), in: Indische Gids, 1923, Jrg. 45, deel II, p.1030-1067. To enhance readability and for purposes of research, following adaptations have been made: spelling & grammar = modern Dutch; names = modern Indonesian (except titels): Balambangan = Blambangan, Mengoei = Mengwi; Baliër = Balinees etc.; (n) refers to the Note directly below.

De thans zo bloeiende afdeling Banyuwangi is een deel van het vroegere rijk van Blambangan, het land van leed en lijden, van ontvolking en hongersnood. In zijn grootste uitgestrektheid besloeg het de gehele tegenwoordige residentie Besuki en de afdeling Lumajang, ja, soms strekte zijn invloed zich uit tot Malang en zelfs tot Blitar.

Op Java heeft de verre Oosthoek een afzonderlijke positie ingenomen omdat Blambangan tot zijn val in 1767 toe heeft vastgehouden aan het Hindoe (Siwaïtische) geloof. Na die tijd is het pas zeer geleidelijk geïslamiseerd. Volgens Dr. H.N. van der Tuuk was nog in ca. 1840 de desa Cungking, ± 3 km ten westen van Banyuwangi, geheel Siwaïtisch. Maar niet alleen in het lang vasthouden aan hei Siwaïsme betoonde Blambangan zich ouderwets. Ook van het Polynesische, voor-Hindoe heidendom bleven hier sommige resten langer en duidelijker bestaan.

Blambangan is in dit opzicht nog een weinig gelijk aan Bali, toont zelfs trekken, die aan de verder Oostelijk gelegen eilanden doen denken. Zo is het de enige streek op Java, waar met zekerheid megalithische grafmonumenten zijn gevonden, die men ook op de Kleine Soenda-eilanden weer vindt: grafgrotten, in de levende rots uitgehouwen of gefatsoeneerd, stenen doodkisten van bijzondere vorm, dolmen-vormige graven, soms met antieke kralen en andere ‘bijgaven’ er in (n).

Note: Zie: H.E. Steinmetz. Oudheidkundige beschrijving: van de afd. Bondowoso,in Tijds. Bat, Gen. XL. 1898, p.1-60; voor de later (ook bij weg- en spoorwegaanleg) nog voor de dag gekomen oudheden van deze aard verspreide mededelingen in Notulen Bat. Gen. 1896, p.87 en van Hubenet, ib. 1903:; p.55; De Haan in Oudheidk. Verslag 1921, 2e kw. p.56-59, en elders; samenvatting in: Rapp. Oudh. Dienst, 1923. Inventaris der Hindoe-oudheden (naar Verbeek), Derde Deel. Res. Besoeki, p.97 v.v., en bij Dr. Krom, Inl. t.d. Hindoe-Jav.-kunst, 2e uitg. I p.128-124.

Het exponeren der lijken in de wildernis, gevolgd door verbranding

[p.1031] der resten (vermoedelijk alleen bij de aanzienlijken en gegoeden) heeft even lang bestaan als Blambangan zelf, evenals het volgen in de dood van hun vorstelijke heer en meester door weduwen van lage geboorte en andere aan hun heer verknochten.

Van de oude Blambanganse bevolking Is alleen in Banyuwangi weder tot welvaart en talrijkheid gekomen deel overgebleven: de z.g. ‘0esingers’ (van ‘using’, ‘sing’, het inheemse, eigenlijk Balinese woord voor ‘nee’); zij onderscheiden zich scherp van het Madurese bevolkingsdeel in de afdeling, maar ook van de talrijke geïmmigreerde Javanen uit het westen, de z.g. Kulonnezen. Het bestaan dezer drie scherp gescheiden, zich weinig vermengende volksgroepen geeft aan het bestuur over de afdeling een eigenaardig karakter.

Aard, taal en adat der Usingers wijken zeer af van die der overige Javanen; zij tolereren bijv. nog het schakingshuwelijk en staan bekend om hun sterk gevoel van eigenwaarde, hun eerlijkheid, hun koppigheid, hun afkeer om bij Europeanen bediende te worden. Door het ruime grondbezit zijn zij welvarende landbouwers. Ook de bosproductenzoekersaard zit er nog in.

Voor het hedendaagse Banyuwangi verwijzen wij naar de literatuuropgave aan het slot. Ons doel is een poging te wagen tot het geven van een overzicht van de geschiedenis van Blambangan, die zich, dankzij de nieuwe, in de tekst aangewezen gegevens, langzamerhand begint los te wikkelen uit de geheel onbetrouwbare legenden der Inlandse bronnen. Wij konden daartoe ook beschikken over een onuitgegeven „Beschrijving van Bali en Banjoewangi door de commandant te Banjoewangi J(ohan) C(esar) van Wikkerman (n), 1805", berustend op het Algemeen Rijksarchief, in de bundel van Nicolaus Engelhard. Inv. 149. Vele lacunes blijven nog bestaan, die wellicht uit Bataviase archieven kunnen worden aangevuld.

Note: Deze Von Wikkerman. wiens naam geleidelijk uit het Duits vernederlandste, was, naar uit verschillende bronnen blijkt, reeds in 1777 in Compagniesdienst bij de verovering van Nusa Barung. In 1800 werd bij als vaandrig en luitenant commandant en civiel resident in Banyuwangi; in 1803 en 1805 ontmoeten wij hem in deze functie, doch in 1811 en tijdens het Engelse tussenbestuur niet; na het herstel van het Nederlands gezag kwam bij weer in zijn oude betrekking, die hij in 1818 nog bekleedde, met de rang van overste of luitenant-kolonel.

a. De tijd van Majapahit (ca. 1294 tot ca. 1500 AD)

Zeer kort na de val van Tumapel of Singasari en de stichting van Majapahit (AD 1292, 1294) werd in het verre oosten van Java een bestuurscentrum gevormd, dat valt te vereenzelvigen met Blambangan. Deze naam komt reeds voor in de Nagarakretagama van 1365 en in de Hikayat Raja-raja Pasai, op beide plaatsen als een bezitting

[p.1032] van het pas ontstane Majapahit. Wij weten uit Brandes' Pararaton- uitgave, dat de eerste vorst van dit rijk Kertarajasa Jayawardhana (tevoren Raden Wijaya geheten) feitelijk zijn kroon te danken had aan Aria Wiraraja, stadhouder op Madura, te Sumenep, tevoren als Banyak Wide een hoog ambtenaar van Tumapel. Deze Aria Wiraraja kreeg van Kertarajasa schone beloften, die niet werden ingelost.

Onder zijn zoon en opvolger Jayanegara (1309-1328), tevoren Baden Kala Gemet geheten, kreeg de reeds bejaarde Wiraraja het meest oostelijke deel van het rijk Lumajang Noord en Zuid en drie juru's. De nieuwe koning had ten gevolge van zijn onverstandige houding te kampen met opstanden van verschillende gouverneurs. De oude Wiraraja vertrok ook van het hof naar zijn leengoed verscheen niet meer voor zijn vorst. Kort daarna overleed hij in 1311.

Zijn zoon Nambi voelde zich te Majapahit evenmin veilig en trok naar zijn vaders leengoed. In 1316 kwam Nambi openlijk in opstand tegen zijn leenheer: hij bracht een leger op de been en versterkte zijn verblijfplaats te Pajarakan of Lembah, welke plaats Mühlenfeld meent te herkennen in de ruïnen van Kuta Renon, ten noorden van Lumajang, de weinige overblijfselen van een uitgestrekte en versterkte stad. Nambi verloor ten slotte de strijd en sneuvelde. Ganding (misschien Gending bij Kraksaan, ook genoemd in Nagarakrtagama Z. 34:2) werd daarbij vernield en de leenbrief van Wiraraja's geslacht ingetrokken.

Het oostelijke rijk schijnt echter niet, of zoal, dan toch slechts voor korte tijd, te zijn verdwenen, want in 1331 was er weer een gevaarlijke opstand tegen Majapahit te Sadeng. Deze plaats is waarschijnlijk dezelfde, welke koning Rajasanagara (Hayam Wuruk) in 1359 bezocht op zijn grote reis, die beschreven wordt in de Nagarakretagama. De plaats ligt nabij Puger, in liet zuidwesten van Besuki. Een berg in de nabijheid draagt thans nog dien naam.

Dat de streek van Sadeng (de zuidkust van Lumajang en Zuidwest-Besuki) destijds goed bewoond was, blijkt vooreerst uit Zang 22 en 23 van den Nagarakretagama, en verder uit de restanten van bouwwerken en andere oudheden in dit gebied, waarbij er zijn met jaartallen overeenkomende met AD 1339 en 1370 (zie Brandes' Pararaton, 2e uitg. p.146, en de beschrijving bij Krom, Inleiding tot de Hindoe-Javaansche kunst, 2e uitg. II p.409 v.v.).

De namen van enige van de bouwwerken, als Kedaton Kuta Kranjingan, Koeta Bara, Kuta Kedawung, Kuta Blater, Kepatihan wijzen er op, dat dit later ontvolkte en in de laatste tijd weer in ontginning komende gebied in de 14e eeuw de zetel was van een bestuurscentrum. (Zie ook: Bosch, Aanteekeningen over de Afdeeling Bondowoso, Tijds. Bat. Gen. 1857, p.469-508).

[p.1033] Koning Rajasanagara (Hayam Wuruk) van Majapahit (1350-1389)had reeds tijdens zijn leven hot oostelijke deel van zijn rijk geschonken aan zijn zoon, bekend als Bhre Wirabhumi. De vorst van Wirabhumi schijnt onafhankelijk te hebben geregeerd; in Groeneveldts ‘Notes of the Malay Archipelago and Malacca, compiled from Chinese sources’ moet hij bedoeld zijn onder de Javaanse vorsten, die in 1381 en 1382 huldegeschenken zonden aan de keizer van China, welke later met contra-beleefdheden werden beantwoord. De ligging van de bestuurszetel Wirabhumi is nog niet vastgesteld kunnen worden.

Hayam Wuruk was in 1389 als koning van Majapahit opgevolgd door zijn neef en schoonzoon Wikramawardhana, later Hyang Wisesa geheten. In 1400, bij de dood van zijn zoon, ging deze als kluizenaar leven, na de regering te hebben overgedragen aan zijn dochter Dewi Suhita. Tegen deze regeling verzette zich, en niet ten onrechte, Bhre Wirabhumi, zodat reeds in het volgend jaar Wikramawardhana werd genoopt zich weer met het bestuur te bemoeien. De onenigheid werd bijgelegd, maar in 1404 ontbrandde weer een felle strijd tussen Majapahit en Blambangan, die eerst met afwisselend succes werd gevoerd, doch in 1406 eindigde met de nederlaag van het oostelijke rijk. Bhre Wirabhumi vluchtte op een schip, maar werd daar gevangen en onthoofd. Het hoofd werd als trofee naar Majapahit gebracht.

Van deze oorlog verhalen zowel de Pararaton als de Chinese bron bovengenoemd. Volgens de laatste had bij de laatste woeste aanval der Majapahiters op Bhre Wirabhumi's dalem een ongelukkig incident plaats. Daar bevond zich juist de gezant Cheng Ho van de Chinese keizer met 170 volgelingen, die Bhre Wirabhumi een zegel als geschenk had gebracht. Bij den stormaanval der westelijke troepen werden deze Chinezen mede gedood. Wikramawardhana maakte excuses en betaalde een boete, waarmee de zaak afliep.

Brandes (Pararaton, 2e uitg. p.180 v.) vermoedt in deze oorlog de historische achtergrond te mogen zien van den Damar Wulan-roman, De Menak Jingga (de Rode Ridder) uit die romans zou dan Bhre Wirabhumi zijn: Damar Wulan diens overwinnaar Baden Gajah. R. Ng. Poerbatjaraka oppert de mogelijkheid, dat Menak Jingga de bovengenoemde Wiraraja zou zijn (ib. p.88 n.2). Zo was dus in 1416 het rijk van Blambangan weer tijdelijk te niet gegaan.

b. Blambangan zelfstandig tot aan de verwoesting van de hoofdplaats door Pasuruhan (ca. 1500 - ca. 1600).

In de legendarische geschiedverhalen der nieuwe Javaanse literatuur speelt Blambangan de rol van het rijk, dat zich niet wilde bekeren tot de Islam. De Babad Tanah Jawi en Brandes' Serat Kanda (Pararaton, 2e uitg. p.213, 224 v.) verhalen van Seh Wali Lanang of Sajit/Sayit Iskak, gekomen van Arabië naar Ampel Denta (Surabaya)

[p.1034] en gaande naar Blambangan om dit rijk te bekeren. Hier heerste juist eene epidemie, die echter week na de komst van de heilige man. Als beloning krijgt deze de dochter van de koning Menak Dedali Putih tot vrouw. (Deze Dedali Putih zou een zoon zijn van bovengenoemde Menak Jingga en door de vorst van Majapahit weer over zijns vaders erfdeel gesteld). Sajit Iskak kan echter Blambangan niet bekeren en wordt zelfs uit dit land verjaagd. Na zijn vertrek wordt uit de prinses, zijn echtgenoote, een zoon geboren. Dedali Putih laat zijn kleinkind, de zoon van den vreemdeling, in een kistje in zee werpen. Het kind wordt opgevist door een scheepskapitein, varende in dienst van Nyai Gede Pinatih, de rijke weduwe van zekere uit Blambangan verbannen Ki Sambodja.

Hoe dit Blambanganse prinsje als Raden Paku en Sunan Giri “wali" of Mohammedaans apostel op Java werd, leze men op de aangeduide plaats.

Sunan Giri's grootvader, Dedali Putih van Blambangan, zou de dood hebben gevonden in een strijd, die hij met een Balinese vorst voerde tegen Majapahit.

Het schijnt dat Blambangan in de eerste eeuw van het ontstaan der Mohammedaanse rijken op Java een betrekkelijk rustig bestaan heeft gehad. Niet Blambangan, maar het eveneens nog Siwaïtische rijkje Supit Urang of Sengguruh, ook Gajah Mada geheten, op nog niet bekende wijze ontstaan omstreeks 1500, vocht de strijd uit met het nieuwe geloof. Bij de latere veroveringstocht van Sultan Ageng naar Blambangan in 1639 werd het vernietigd en de bevolking weggevoerd naar Mataram (Zie Encycl. v. N.I. onder ‘Gadjah Mati’, en verder Veth, Java, 2e dr. I p.256-257 en IV p.104).

De Javaanse traditie zegt, dat bij de val van Majapahit de aan het oude geloof trouw blijvende bevolking verhuisde naar Pasuruhan, Panarukan, Blambangan en Bali. Waarschijnlijk hebben de gebeurtenissen van die tijd wel enige emigratie naar deze landen veroorzaakt. Deze vluchtelingen zouden in Blambangan de grote sterkte met de bijbehorende Siwa-tempel van Macan Putih hebben gesticht. De plaatselijke traditie stelt deze stichting veel later, als verricht door Susuhunan Tawang Alun, die tot 1691 Blambangan bestuurde (zie beneden).

Pasuruhan word in 1587 door Senopati van Mataram onderworpen. De grote afgelegenheid van Blambangan heeft het feitelijk in deze eeuw behoed voor overweldiging door de Mohammedanen. De Noordkust lag het meest blootgesteld aan hun aanvallen; Panarukan werd door hen veroverd, maar in 1575 wist de oude vorst, die Santa Guna wordt genoemd, deze toen zo levendige stad weer te heroveren. Op deze kust konden ook de Portugezen het veiligst handelen; zij deden Panarukan geregeld aan en kochten er veel slaven voor hun hoofdplaats

[p.1035] Malakka. In 1580 vestigde zich hier ene vaste nederzetting (zoals zij ook in 1586 op Bali hadden willen doen), waar Kapucijner monniken kerken en kloosters stichtten en bekeerlingen maakten. In 1599 Is deze stichting vernietigd in de oorlog van Pasuruhan tegen Blambangan. Twee kilometer ten noordoosten van het tegenwoordige Panarukan herinnert de plek genaamd ‘benteng’ in de desa Kuta Bedah (= verwoeste stad) aan deze kortstondige vestiging. Volgens Bosch heette Panarukan destijds Purwonggo en de grote kota Tokengan.

In deze tijd was de rijkszetel stellig al nabij Java’s oostkust gevestigd en dus van Lumajang af telkens verder oostelijk verplaatst. De in ongeveer 1655 optredende Tawang Alun was de laatste, die de titel Pangeran Kedawung voerde. Er ligt ook een plaats Kedawung ten 0osten van de latere stad Blambangan. Het is dus mogelijk dat de titel afkomstig is van de oude Kuta Kedawang uit de 14e eeuw in het district Tanggul, of van een dalem in Kedawung-Banyuwangi, ofwel heeft de laatste plaats haar ontstaan en naam te danken aan verplaatsing van de bestuurszetel van een oud- naar een nieuw Kedawung. De oostkustvlakte lag veiliger voor de Mohammedanen en werd ook economisch meer het zwaartepunt van het rijk, waardoor de verplaatsing van de bestuurszetel voldoende verklaarbaar wordt. In de westelijke districten komen nu bekels van de bij de oostkust residerende vorst. Bosch noemt als zodanig Maketep bij Kademangan en Kepatian bij Kasemek, in het Pugerse, waar overblijfselen van dalems zijn gevonden.

Of er werkelijk continutteil bestaat tusschen het leenrijk van Wiraraja en Nambi (1309- 1316) en dat hetwelk de opstand van Sadeng begon in 1331, het rijk van Wirabhumi (van vóór 1381 tot 1406) en het Blambangan dat tijdens de eerste komst van Portugezen, Engelsen en Hollanders bloeide, is niet te zeggen. De plaatselijke traditie wijst die kant uit. Dat de economische en culturele betrekkingen tussen Blambangan en Bali intussen van nauwe aard werden en dat er meermalen verzwagering tusschen de aanzienlijke families aan beide kanten van de zeestraat plaats had, ligt voor de hand. Volgens Van der Tuuk zijn vele der op Bali gevonden Oud- en Middeljavaanse bandschriften van Blambangan afkomstig, zoals de Wariga en de wetboeken.

In maart 1580 deed Francis Drake Blambangan even aan op zijn vermaarde wereldreis (hij noemt de toenmalige vorst “Raja Denan") en in 1588 Thomas Cavendish. De laatste geeft mededelingen over het rijk, vernomen van daar wonende Portugezen. De vorst trok de voordelen van de handel aan zich. Hij zou toen over de 100 jaar oud zijn geweest en bezat 100 vrouwen.

Enige tijd later legde Santa Guna de regering neer en ging als kluizenaar ergens in het binnenland leven. Zijn zoon volgde hem op.

[p.1036] Deze vond een noodlottig einde in een oorlog, die hem aangedaan werd door de Mohammedaanse gouverneur van Pasuruhan, vazal van Senopati van Mataram. De bijzonderheden daarvan kennen wij uit de journalen van de eerste scheepvaart der Hollanders naar Oost-lndië (1595-1597) en de volgende Hollandsche berichten.

Uit die journalen blijkt dat de Hollanders op 17 januari 1597 voor Blambangan kwamen, maar daar niet konden provianderen, omdat die plaats reeds sedert drie maanden werd belegerd door 8000 man van de vorst van Pasuruhan. Eerst had deze Panarukan tevergeefs belegerd; de benarde vorst had hulp gevraagd aan de hoofdvorst van Bali te Gelgel; deze hulp was door troepen uit Bali, Lombok en Sumbawa verleend, maar blijkbaar onvoldoende geweest; daarop vroeg Blambangan ten tweeden male hulp aan Bali tegen belofte van betaling van jaarlijkse tollen en afstand van ene sterkte in Blambangan. De Hollandse schepen vonden dan ook in de Gili Manuk-baai schepen met Balinese hulptroepen liggen, daar Blambangan ook aan de zeezijde was geblokkeerd. Voor Loloan in Jembrana en Kuta in Zuid-Badung konden zij ook geen provisiën en drinkwater bekomen, daar alle aandacht in beslag was genomen door de uitzending van 20.000 man hulptroepen voor Blambangan.

Omtrent de aanleiding tot deze oorlog verhaalt de adelborst Frank van der Does van do Hollandia in zijn journaal van 2 april 1595 tot 13 juni 1597 (De Jonge, Opkomst II, p.287-372) wat hem was meegedeeld door een edelman van Blambangan:

“De Coninck van Passuran… versocht de dochter ten houwelyck van den Coninck van Balamboan, wiens vaeder noch int leeven was, die in tijde dat Tomas Candits aldaar was, alsdoen 150 jaeren oudt wesende, twelck ons gheen kleyne verwonderinghe docht te weesen...”

De gouverneur van Pasuruhan had de Blambanganse vorstendochter ten huwelijk gekregen, doch haar na de eerste huwelijksnacht de hals afgesneden, vermoedelijk om een oorlog uit te lokken. Van der Does merkt na dit verhaal op:

“Den Coninck van Passuran... was Mahomtist, ende hadde het moorse gelooff ende die van de stadt badden het heydens geloove, twelck meede oorsaeck gaff, soo te vermoeden stont, tot belegering van de stadt voornoemd."

Hoe 't met de oorlog afliep verneemt men uit bet reisjournaal van Olivier Van Noort (De Jonge, II, p.201, no.1). die op 3 februari 1601 Jaratan (Gresik) bezocht en meldde dat Blambangan was ingenomen en de Hindoe-vorst met geheel zijn geslacht uitgeroeid.

c. Blambangan onder Klungkung (Gelgel) en Mataram (ca. 1600 - ca. 1665)

De Dewa Agung van Bali te Gelgel kreeg nu de leenheerschappij over Blambangan; de vorsten of regenten die wij in dit rijk thans aantreffen, zijn waarschijnlijk van Balinese afkomst.

[p.1037] Inmiddels kwam het rijk van Mataram op Java tot consolidatie en macht en begon beproeven Blambangan aan Bali te ontrukken. Veroverings- (of beter: verwoestings-) tochten op last van Sultan Ageng (1613-1646) naar Blambangan ondernomen zijn bekend van 1625, 1636-1637, 1639, 1645-1646; op last van Amangku Rat I (Susuhunan Tegal Wangi, 1646-1676) van 1647.

De tocht van 1625 had plaats met 20 à 30.00 man, na de verovering van Surabaya door Sultan Ageng. Volgens Hollandse berichten werden daarbij ontzettende verwoestingen gepleegd. In 1628 vroeg Blambangan hulp aan de Compagnie tegen een nieuwe aanval van Mataram, doch de belegeringen van Batavia (1628-1629) door Mataram gaven toen lucht aan het oostelijke rijk. Het gelukte Mataram niet Blambangan blijvend te veroveren; het bleef bij strooptochten. De buitendistricten Panarukan, Lumajang (met het tegenwoordige Jember) en Malang gingen daarbij telkens over van de ene in de andere hand.

In 1631 werd Panarukan zo gekweld door land- en zeerovers, dat de inwoners bun stad zes mijlen landinwaarts hadden verplaatst. Als zij op geregeld bezoek van de Compagnieschepen konden rekenen zouden zij het weer wagen aan de kust te komen wonen.

De verhouding van Blambangan en Bali tot de Compagnie was in die dagen slecht. Herhaaldelijk wordt van Compagnieszijde geklaagd over insolentiën door Hollandsche schepelingen aldaar ondervonden; een hunner was zelfs ongestraft vermoord. Engelse handelaren maakten van deze slechte verhouding gebruik door een kantoor te stichten te Blambangan, dat echter in 1634 weer werd opgeheven.

Tijdens het groot opgezette, maar mislukte gezantschap, in 1633 onder de G.G. Brouwer naar Bali gezonden om de Dewa Agung te bewegen tot een gemeenschappelijke oorlog tegen Mataram (Leupe in Bijdr. Kon. Inst. V, 1856, p.1-71; Dagh. Register 1631-1634 p.176-184) was de leenvorst Singasari van Blambangan zeer onvriendelijk jegens de Nederlanders geweest; hij had de gezant Jan Oosterwijck feitelijk zonder complimenten van de rede verjaagd. Te Gelgel vernam deze gezant dat

“Singe-Sarry, die door gunst ende groote schenkagien aen den Coninck ende grooten van Baly gedaen, tot Coninck in Bali-boang gestelt was, den rechten Coninck, Maes Cariaen (n) genaemt, voor desen op de vlucht gedreven, met vrouw, kinderen ende ’t gantsche geslacht om den hals gebracht ende gemasceert hadde".

Note: Deze naam misschien te lezen als Mas Kriyan, Kriyan (ra-kriyan, kèn) is een thans verouderde Javaanse titel, vroeger ook op Bali bekend. Vóór een naam een der hoogste bloedverwanten- ambtenaren van de vorst aanduidend en van gelijke betekenis als ‘patih’, rijksbestierder, onderkoning. De titelnaam ‘Patih’ treffen wij ook aan bij de latere vorsten van Blambangan.

Blambangan had toen zelfs Blitar onder zijn bestuur.

[p.1038] In 1636 deed Mataram een nieuwe aanval op Blambangan; dit land werd geheel afgelopen, verbrand en geruïneerd. Een inval op Bali volgde, maar schijnt te zijn mislukt. Met behulp van Bali werd het verwoeste Blambangan weer wat hersteld.

Omtrent de oorlog van 1639 schreef de G. -G. van Diemen aan H.H. XVII op 18 dec. van dat jaar (De Jonge, V p. 241):

“Desen somer heeft den Souchonangh syn leger te water en te lande nae Balamboangh afgesonden...".

Hij veroverde geheel Oost-Java en deed een inval op Bali.

“Den Coninck van Baly versoeckt onse assistentie van 3 à 4 schepen omme den voorderen indrangh te stutten".

En elders (ib. p.1701):

“Die van Balamboang zijn heyden ende vijanden van den Mattaram, den Coninck van Baly pretendeertt haer beschermheer te weesen, is mett eenen genoechsaem meester van ‘t landt ende doen den vreemdelingen grooten over last".

Over de tochten naar Blambangan in 164o-1646 en 1647 bezitten wij uitvoerige en voor de hoofdzaken controleerbare berichten in de Babad tanah Jawi (ed. Meinsma p.256 267 en 260-267).

De tocht van 1645 werd uitgevoerd doortroepen uit de buitendistricten en de kustdistricten van Mataram onder Pangeran Selarong en Raden Padureksa. Pasuruhan was het verzamel- en uitgangspunt der troepen. Sang Dipati van Blambangan vroeg hulp aan Bali. Hij kreeg slechts 500 man toegezonden onder Dewa Lengkara en Dewa Agung en de onderbevelhebbers Panji Buleleng en Panji Macan Kuning. Van de Balische hulptroepen wordt verhaald, dat zij alleen schaamgordels droegen en als wapens blaaspijpen met vergiftigde harpoentjes gebruikten.

Sang Dipati trok den vijand tegemoet en werd op de vlucht geslagen; het is onbekend gebleven of hij is gesneuveld of nog leefde. De verdediging van de hoofdplaats was toevertrouwd aan zijn zoon Ki Mas Kembar. Na bloedige strijd en zware verliezen aan beide kanten werd de stad genomen; de bezetting en de bevolking, die naar het gebergte hadden kunnen vluchten, werden ook daar machteloos gemaakt. Ki Mas Kembar werd gevangen genomen en met een groot aantal Blambanganners en veel buit naar Mataram gevoerd. Hier werd hij in vrijheid gesteld en na het zweren van den eed van trouw tot bupati van Blambangan aangesteld.

De suzereiniteit over Blambangan was alzoo overgegaan van Bali (Gelgel) op Mataram. Kort daarop stierf Sultan Ageng van Mataram. Zijn zoon en opvolger Amangku Rai I (Tegal Wangi) verplaatste de rijkszetel naar Plered.

Nauwelijks was Sultan Ageng overleden of de Dewa Agung van Bali maakte zich weer van Blambangan meester en de nieuwe bupati erkende hem weer als leenheer. Amangku Rat liet direct een sterk leger over land en over zee trekken naar Blambangan onder de bevelen van de tumenggung's Wira Guna, Danu Paja en Mataram,

[p.1039] de laatste als vlootvoogd, Ook de Dipati van Sampang leverde hulptroepen, maar mocht zelf niet mee. Blambangan werd veroverd en verwoest; de bupati Mas Kembar vluchtte naar Bali. Wira Guna wilde nog een inval op Bali doen, maar kon niet tot eene landing komen. Een bloedig zeegevecht had daarbij plaats. Daarop keerde de expeditie naar Mataram terug, een grote buit en 1500 mannen en vrouwen met zich voerende.

Deze 1500 bojongans zouden echter Mataram niet bereiken. Wira Guna werd onderweg ziek en stierf. Danu Paja vergiftigde zichzelf onder weg na zijn kinderen en kleinkinderen, 12 in getal, te hebben laten doden, toen hij vernam wat er inmiddels in Mataram was geschied en begreep welk lot hem en de zijnen daar zou wachten.

Er was namelijk een paleis-intrigue ontdekt, die ten doel had Amangku Rat van den troon te stoten en deze te doen beklimmen door diens jeugdige broeder Pangeran Alit. Deze jonge prins en zijn voogd Pasisingan, die hem tot de rebellie had overgehaald, waren gedood en Danu Paja, die mede voogd en opvoeder van Pangeran Alit was zou natuurlijk dit lot hebben gedeeld.

De 1500 gevangenen werden aldus te Taji achtergelaten en zullen voor een deel hun vaderland wel weer hebben bereikt. De leenvorst van Blambangan dorst weer terug te keren naar zijn land. De Dewa Agung had tegen het eind van 1647 nog gezanten naar Batavia gezonden om Compagnieshulp te vragen, doch in februari 1648 werden deze ongetroost teruggezonden.

Volgens andere berichten zou Wira Guna niet, op de terugweg zijn gestorven, maar met zijn familie zijn uitgeroeid op last van den wrede Amangku Rat I, omdat hij Bali met had kunnen veroveren.

De oorlogstoestand tusschen Mataram en Bali bleef bestaan en deze omstandigheid bracht de Compagnie en Bali, gemeenschappelijke vijanden van Mataram, weer tot elkaar. De G.G. Reiniersz. zond in 1651 een aanzienlijk gezant, Jacob Bacharach, naar Gelgel om een verbond met Bali tegen Mataram te bewerken. Bacharach vond echter de oude Dewa Agung juist overleden; een grenzeloze verwarring en een successieoorlog waren daarop gevolgd. De eenheid en de macht van Bali waren voorgoed verbroken. Karangasem, Mengwi en Boeleleng maakten zich de facto onafhankelijk. Kort daarna heersten zelfs de Gusti Agung van Karangasem in Gelgel en toen het oude vorstenhuis weer werd hersteld, vestigde het zich niet meer in de oude puri, maar te Klungkung.

Onder deze omstandigheden viel het Mataram gemakkelijker zijn suzereiniteit over Blambangan te handhaven en gedurende een kwart eeuw kon het den bestuurder van dit leenrijk tot bet doen der jaarlijkse hof- en huldereis nopen. In 1659 schijnt nog een tocht naar Blambangan te hebben plaats gehad. De geruchten omtrent expedities

[p.1040] van Mataram naar Bali waren vooreerst niet van de lucht, doch het bleef bij loze bedreigingen.

Door al deze geweldenarijen werd vooral West-Blambangan ontvolkt en verarmd. Bosch beweert (Hanteekeningen over Bondowoso, Tijds. Bat. gen. VI, 1857) dat de Mataramse oorlogen vooral de streek van Puger teisterden en dat de ontvolking nog werd verergerd door natuurrampen en door de wegvoering van Javanen als slaven tijdens de latere Balinese heerschappij.

d. Bloeitijd en onafhankelijkheid van Blambangan onder Tawang Alun en Macan na Pura (ca. 1655-1697)

Over Tawang Alun, die bij uitzondering lang regeerde en zijn natuurlijke dood stierf, bezitten wij losse gegevens uit Hollandse stukken, namelijk bij De Jonge, Opkomst enz.; verder uitvoerige berichten in Dr. J. Brandes, Verslag over een Babad Blambangan, in Tijds. Bat. Gen. 37; 1891. p.325 -365, met Nalezing op idem, ib. 38, 1895, p.282-288 en ten slotte het stuk van Wikkerman. Over een Babad Blambangan in tembang, die de gebeurtenissen van 1768 toy 1767 behandelt, schreef Brandes in Tijds. Bat. Gen. 35, p.453-457, waarbij aansluit p.348-365 van zijn Verslag over genoemde proza-babad.

De laatste draagt in sterke mate de blijken van de pro-Bali gezindheid van de schrijver. Wikkermans verhaal streeft naar onpartijdigheid, maar berust op informatie van “de oudste en kundigste ingezetenen”, waardoor hij voor de oudere gebeurtenissen met de jaartallen in de war is. Zijn verslag en de proza-babad vangen beide aan met Tawang Alun. Door de vergelijking van Brandes met de bij De Jonge afgedrukte stukken en enkele andere berichten en met Wikkermans gegevens kan men zich nu een vrij nauwkeurig beeld vormen van de geschiedenis van Blambangan na 1655.

Tawang Alun was de zoon van Pangeran Tanpauna van Kedawung, in wie waarschijnlijk de bovengenoemden Mas Kembar heeft te zien. Volgens Wikkerman moet hij omstreeks 1655 aan het bestuur zijn gekomen. Zijn jongere broeder Mas Wila diende hem als patih, maar kwam in vier jaar tegen hem in opstand. De wettige pangeran van Kedawung trok zich terug naar Baju in het binnenland, de plaats die een eeuw later het toneel zou worden van zoo bloedige strijd. Hij ontgon deze streek en kreeg geleidelijk het grootste deel der bevolking aan zijn zijde. Zes jaar later beoorloogt Mas Wila hem opnieuw: Baju ondergaat een langdurige belegering, waarbij Mas Wila omkomt. Na een kort tussenbestuur van beider zuster Mas Aju Melok aanvaardt Mas Tawang Alun de regering over het gehele land ala eerste Pangeran van Macan Putih, na eerst te hebben bedreven in Pangabhekten, aan de zuidoostzijde van den Raun.

Volgens Brandes' proza-babad zou hij de stichter en naamgever zijn

[p.1041]

van de stad Macan Putih In de wildernis van Sudyamara. Ook Wikkerman zegt dat Tawang Alun zijn hof had te Macan Putih, waar (d.i. in 1805)

“nog tot heeden daegs enige overblijfselen van grote gebackene steenen mueren te zien zijn, voor het overige kan men niets ontdekken door dien deese plaest met zware bossen begroeid Is en zig veel ongedierten daer in op houden".

Van Macan Putih, gelegen op het gebied der desa Malar, ten noorden van Rogodampi, is nu slechts een langwerpig aardheuveltje en een rommeltje baksteen over.

Deze streek is nu weer bevolkt. Wat er thans te zeggen is van oud-overblijfselen van het voormalige Blambangan vindt men samengevat in Dr. Kroms Inleiding tot de Hindoe-Javaansche kunst, 2e uitgave, II, p.409-416. (zie ook het Reg. i.v. Macanputih, waarbij 249 te lezen 429), Er was in 1805 veel meer van over dan Wikkerman wist. De stad of vesting Macan Putih was omgeven door een zware, bakstenen ringmuur van 6 voet dik en 12 voet hoog, voorzien van gang en borstwering 4'/2 kilometer metend in omtrek.

Deze grote omvang van de rijkszetel maakt het aannemelijk, dat Blambangan onder Tawang Alun zeer bloeiend en volkrijk was, tevens dat verschillende vorsten op uiteenlopende tijden aan stad en tempels hebben laten werken, te meer daar de Matarammers hun verwoestingen ook wel tot deze bouwwerken zullen hebben uitgestrekt.

Omstreeks 1676 wist Pangeran Tawang Alun zich van zijn afhankelijkheid van Mataram te ontslaan en staakte hij zijn jaarlijkse hofreizen. Toen in het laatste levensjaar van Amangku Rat I (Tegal Wangi 1646-1677) van alle zijden de opstanden tegen deze tiran losbarstten sloot ook Tawang Alun, met troepen Blambangners en Balinezen, zich bij diens belagers aan. De Makassaarse en Maleise helpers van de Madurese rebel Truna Jaja onder Kraeng Galesong heersten in een aantal kustplaatsen van Blambangan en zelfs tot in Sidoarjo.

In 1678 begon de Compagnie de nieuwe Sunan Amangku Rat II te helpen, in 1679 werd Sidoarjo bevrijd en kwam Truna Jaya om het leven, in 1680 kon de nieuwe Sunan naar zijn hofstad trekken en werden de laatste Balinese benden onder Namrud te Mesir in Banyumas verslagen. In dat jaar werd ook de kapitein en opperkoopman Jeremias van Vliet naar Blambangan gezonden om de kustplaatsen te zuiveren van de daar genestelde zeerovende Makassaren en Maleiers onder hun ‘sebandars’.

Daarop trachtte Van Vliet Tawang Alun over te halen zich weer bij de Sunan van Mataram te laten ‘introduceren’, doch daarvan wilde hij niets weten. Nu hij onafhankelijk was noemde hij zich ‘Susuhunan van Blambangan", onder welke titel hij ook in officiële Nederlandsche stukken voorkomt.

In 1684, toen G.G. Speelman overleden was. bad zijn opvolger Camphuys dadelijk weer Mataramse zorgen, naar de door ons

[p.1042] geredde en op de troon geholpen Amangku Rat II heimelijk een vijandige houding aannam en o.a. asiel verleende aan Surapati, de vermaarde gewezen Balinese slaaf, later officier in Compagniesdienst en in 1683 na een ondervonden belediging 's Compagnies bitterste vijand geworden. Camphuys herinnerde zich de vijandige gezindheid van Tawang Alun tegen Mataram en zond in 1685 Van vliet weer naar Blambangan om te pogen met dit rijk een verbond te sluiten tegen Surapati.

Tawang Alun wilde hiervan niets weten. Doch toen onze gezant Tack te Kartasura was vermoord (1686), Surapati naar de Oosthoek vluchtte en daar zijn rijk Pasuruhan stichtte, zelfs over de Blambanganse streken Panarukan en Lumajang heerste, werd dit anders. Tawang Alun zond in 1690 gezanten naar Surabaya en Japara om bescherming tegen Surapati te vragen en een gezamenlijk optreden tegen deze aan te bieden. Maar te Batavia vertrouwde men de zaak niet erg.

Daarom zond G.G. Camphuys die gezanten terug in gezelschap van de kapitein Jan Barvelt en de luitenant Jan Francen als gevolmachtigde onderhandelaars. De 14de september 1691 kwamen zij te Macan Putih aan: den 18de kregen zij een audiëntie, doch op dienzelfde dag kwam de oude vorst plotseling te overlijden, zodat zij niets konden bereiken, omdat onmiddellijk een successietwist uitbrak onder Tawang Aluns zonen.

Onze gezanten werden “gedemitteerd" door de beide oudste zonen, die weer vijf Blambanganse gezanten meegaven naar Batavia. De naam van Tawang Alun is bij de Blambanganners beroemd gebleven, ja men kan hem hun nationale held noemen.

Volgens de Babad Blambangan werd zijn lijk neergelegd in de wildernis van Mlecutan; volgens Valentijn werd het de 13e oktober (dus 25 dagen na zijn dood) verbrand, waarbij 270 van zijn 400 vrouwen werden geofferd.

De strijdende pretendenten zochten steun òf bij de Compagnie (en dus ook bij Mataram) òf bij Balinese vorsten (en dus ook bij Surapati en andere Compagnies-vijanden). Reeds zeven dagen na de dood van Tawang Alun vindt een der pretendenten, Pangeran Patih Sasranagara, de dood; wij vinden daarna een andere zoon als Pangeran van Macan Putih onder de naam Pangeran Dipati Macan-na-Pura of Manca-na-Pura. Volgens Wikkerman liet Macan-na-Pura zich een nieuwe dalem bouwen te Wijenan, verder Zuidwaarts: volgens de Babad Blambangan geschiedde dit eerst onder zijn opvolger, omdat Macan Putih vervallen was. De nieuwe hofplaats werd Blambangan genoemd. (Er ligt een Wijenan iets ten westen van Macan Putih, maar vermoedelijk lag dit nieuwe Blambangan veel verder zuidelijk, landinwaarts van Muncar).

Deze Manca-na-Pura wist gedurende zes jaren zijne onafhankelijk

[1043] te bewaren. doch Panarukan, Jember en Malang bleven delen van het rijk van Surapati, die er verwanten als regenten had aangesteld.

e. Blambangan onder suzereiniteit van Buleleng en Mengwi (1697-1764). Val van rijk en dynastie.

Boven werd verhaald hoe na 1651 de verbrokkeling van het Balinese rijk begon. Van 1661 af treedt in Buleleng als feitelijk onafhankelijk vorst op het toneel zekere Gusti Ngurah Panji Kertanagara, bijgenaamd Sakti (de onkwetsbare), een geslaagde fortuinzoeker, de nationale held der Bulelengers. Het was vermoedelijk nog deze eerste Panji, die zich de leenheerschappij over Blambangan wist te verwerven. De nog jeugdige zoon van de gesneuvelde Sasranagara, genaamd Mas Purba of Mas Patih, wendde zich, vermoedelijk op aansporing zijner moeder Mas Ayu Gading, tot den Bulelengse Panji om hulp, teneinde zijn oom van de troon te stoten (1697).

Deze was daartoe gaarne bereid; hij ontving ook steun van Karangasem en van de Makassaarse Compagnies-vijanden en vrienden van de grote rebel Surapati. Het leger landde deels te Tanjung Jajang (Watu Dodol, ten noorden van Banyuwangi), deels te Banyu Alit (ten zuiden daarvan).

Macan-na-Pura vluchtte met enige aanhangers over Garahan en Besuki naar Probolinggo en verder naar Pasuruhan. Later ging hij over tot de Islam (vermoedelijk te Mataram) en waagde hij het naar Blambangan terug te keren, doch werd daar vergiftigd door zijn neef en opvolger.

Na de verovering van Blambangan werd Mas Purba aangesteld tot vorst, doch onder suzereiniteit van Buleleng, onder de naam van Pangeran Danureja (bij Wikkerman Pangeran Patih, in Compagniesstukken Bagus Patty of Pangerang Mancunagara, welke laatste naam hetzelfde betekent als Danureja, bij de Balinezen Dewa Nyurga). Het terugkerende Bulelengse leger zou 800 Blambanganners hebben meegevoerd, benevens de rijkspusaka's (m.a.w. de soevereiniteit ging over op Buleleng.

De nieuwe vorst-leenman maakte zich een nieuwe kuta in de wildernis Kebrukan te Lateng nabij Ulu Pampang (tegenwoordig Tratas), aan de ingang van de Pampangbaai. Misschien zijn de ‘Arja Blambangan’, restanten van muren Veener Kuta, van 1800 meter lang en 1000 meter breed, overblijfselen van Koeta Lateng (zie Krom, Inleiding II, 412).

Pangeran Danureja of Mangkunagara beef! een onrustig bestuur gehad van 39 jaar. Als vazal van Buleleng was bij gedwongen de strijdlustige Panji’s van dat rijk bij te staan in hun vechterijen tegen de verzwakkende vorstenmacht van Mataram en de Mataram steunende Compagnie. Hij had daarbij soms zij aan zij te strijden met Surapati, die hem zijn (trouwens toen slecht bevolkte) westelijke regentschappen had ontnomen, en na Surapati's dood (1706) naast diens zonen. Surapati

[p.1044] en de zijnen waren eveneens niet-Mohammedanen, voelden zich Balinezen, en hadden der Compagnie haat gezworen. Door huwelijken over en weer waren de families van Surapati en Blambangan vermaagschapt en de oorspronkelijk vijandige verhouding was in een vriendschappelijke verkeerd.

Het aandeel van Blambangan in de zogenaamde Javaanse Successie Oorlog (1717-1722) en voorafgaande onlusten was onbelangrijk. Danureja voelde zijn ondergeschiktheid aan Buleleng als een last en speelde zelfs tegenover zijn leenheer een dubbelzinnige rol. Hij liet in 1718 de bedienden der Compagnie waarschuwen, dat Buleleng een aanslag tegen Sumenep en Pamekasan in de zin had; hij heulde met Klungkung, dat in bittere vijandschap met hot afvallige Buleleng en Mengwi leefde; er was zelfs sprake van, dat hij zich zou aansluiten bij een verbond, dat de Compagnie met Klungkung tegen de rebellen van Oost-Java (en tegen Buleleng!) zou sluiten. De Compagnie kon er echter niet toe komen Pangeran Danureja te vertrouwen.

De zonen van Surapati hielden inmiddels West-Blambangan in handen met een kleine aanhang van Balinezen.

In 1726 kwam het tot open strijd tusschen Buleleng en zijn leenman Danureja, die er op uitliep dat deze van meester verwisselde. De overmoedige Gusti Panji van Buleleng was in oorlog geraakt met de Gusti Agung van Mengwi; Buleleng verloor en moest Blambangan aan Mengwi afstaan. De vorst van Mengwi trok in 1729 de straat over en nam Blambangan in bezit. De Dewa Agung van Klungkung, gekrenkt dat bij als leenheer van Buleleng en Mengwi in deze aangelegenheid was genegeerd, trok met 700 man op tot ontzet van Blambangan, doch hij kwam niet verder dan tot Jembrana on kon de straat niet oversteken.

In 1736 overleed Pangeran Danureja (Mangkunagara) “wiens ligchaem", aldus de G.G. Abraham Patras aan H. H. XVIl d.d. 16 april 1736, “met negen zijner wijven, naer de wijze der heydenen en het gebruyk ook van deze volkeren, op zijn tijd was verbrand geworden".

De Babad Blambangan bericht dat hij werd bijgezet te Tuban. De Gusti Agung van Mengwi trok dadelijk met 400 man naar Blambangan; de minderjarige zoon Mas Nuweng werd de opvolger van de overledene onder voogdij van de Gusti Agung en kreeg als vorstennaam Pangeran Danuningrat (bij Wikkerman Pangeran Patih II, in Compagniestukken ook Pangeran Patih Mangkuningrat, ook bijgenaamd Pangeran Jingga).

In 1745 aanvaardde hij in persoon het bestuur. Zijn jongere broeder Mas Sirna trad later op als zijn patih onder de naam Wong Agung Wilis (wong agung, Javaans voor den Balinese titel Anak Agung, aanzienlijke). De moeder van deze Wilis was eene Balinese, een zuster van de schoonvader van de Gusti Agung van Mengwi.

[p.1045] Nu heerste er rust in het telkens opnieuw geteisterde gewest, doch lang duurde deze niet. De eerzuchtige pangeran Adipati Cakraningrat V van Bangkalan, die voor een van zijn zonen reeds het regentschap Sidayu had verworven, wilde ook zijn andere zonen een dergelijke positie op Java verschaffen en zou daarin bij de zwakke Susuhunan van Kartasura wel zijn geslaagd als de Compagnie, die geen Madurese regenten op Java wenste, zich niet tegen zijn streven had verzet. Nu leek Noord-Blambangan de woelige Madurezen een geschikt operatieterrein.

De pangeran van Bangkalan zond vaartuigen met gewapende bemanning naar Prajekan, trok plunderend en brandend tot naar Bondowoso en keerde terug met buit in goederen en mensen. De twee jongste zonen van de pangeran staken zich in de Balinese klederdracht; de pangeran omringde zich met een lijfwacht van 300 Balinezen en legde beslag op particuliere vaartuigen om deze over te brengen; hij bood zelfs de Sunan zulke Balinese militairen aan. De jeugdige Danuningrat van Blambangan kon zich niet tegen die gewelddaden verzetten en ook de Gusti Agung van Mengwi kon niet tegen de Madurezen optreden, omdat juist zijn broer, Gusti Kamasan, tegen hem in opstand was, met 5000 aanhangers de negeri Mengwi had veroverd en zijn zoon, die zich met een paar honderd manschappen in de buurt had verschanst, in diens benteng benarde.

Bij het verdrag, dat de G.G. Van Imhoff in 1743 sloot met Paku Buwana, toen te Surakarta, had deze o. a. ook al zijn ‘aanspraken’ op Java ten 0osten van de meridiaan van Pasuruhan afgestaan. De Compagnie gevoelde echter de eerste 20 jaren nog geen lust om zich de verre Oosthoek te bemoeien, ofschoon de afstammelingen van Surapati nog heersten in Malang en Lumajang (met Jember), Malang de wijkplaats werd van alle der Compagnie en de Susuhunan vijandige elementen en ook de kustplaatsen van Blambangan schuilplaatsen werden van zeerovende Buginezen en van Chinezen; de naweeën van de Chinezenmoord te Batavia van 1741 deden zich voor de Compagnie hier nog steeds gevoelen.

In 1758 strandde een Engels vaartuig, van Bengkulen/Bengkulu om het zuiden van Java naar Batavia varend, op de kust van Lumajang; het schip werd beroofd en verbrand en het volk in slavernij naar Blambangan gebracht.

De Gouverneur en Directeur van Java's noordoostkust Hartingh wendde zich tot Pangeran Mangkuningrat en kreeg wel twee Engelse en vijf inlandse matrozen vrij, maar geen vergoeding voor de geroofde goederen. Kort daarna werd de strandroof ook toegepast op een vaartuig van Ceribon/Cirebon, waarbij twee Europese matrozen werden vermoord.

Mangkuningrat beweerde, dat dit door zeerovers was geschied, maar men vertrouwde hem niet. Toch adviseerde Hartingh deze zaken maar te laten rusten; zonder oorlog zouden de toestanden hier toch niet

[p.1046] veranderd kunnen worden en ook wilde men niet gebrouilleerd raken met de Gusti Agung van Mengwi, de schutsheer van Blambangan.

Intussen begon het noodlot, dat Mangkuningrat van Blambangan wachtte, zijn schaduwen vooruit te werpen. Zijn leenheer, destijds de machtigste vorst op Bali, mengde zich meer en meer in de inwendige aangelegenheden van Blambangan. Mangkuningrats macht werd een schaduw; zijn halfbroer, de patih Wilis, stelde zich aan het hoofd van de Balinese partij en was in hoge mate populair. Mangkuningrat zette hem af als patih en benoemde zijn zoon Mas Sutajiwa tot dat ambt.

De gekrenkte Wilis ging daarop als kluizenaar leven aan de zuidkust, maar hield niet op tegen zijn broer te intrigeren. Volgens de Babad Blambangan zou hij destijds ook, tezamen met den door Mengwi gezonden Balinese agul-agul (voorvechter, legerhoofd) Rangga Satata een kolonie van 800 Buginezen onder Daeng Pagersah Pagarruyung van Bong Pakem hebben verdreven, en zou ook deze Rangga Satata door Mas Sutajiwa in een twist bij een sprinkhanengevecht zijn gedood.

Tot een gewapend ingrijpen in deze verwarden stand van zaken was de Gusti Agung van Mengwi niet in staat wegens de onlusten in zijn eigen land. Hij riep in 1763 Mangkuningrat op vriendelijke wijze op naar Mengwi, doch deze gaf daaraan geen gevolg. Toen daarop een tweede dreigende oproeping volgde, begreep Mangkuningrat dat zijn leven gevaar liep en dat hem niet anders overschoot dan zich te werpen in de armen der Compagnie en deze zijn land aan te bieden. Hij vluchtte met zijn zoon Sutajiwa naar Pasuruhan en stelde zich in betrekking met de commandant aldaar, kapitein Ferdinand Carel van Hogewitz. Deze schreef er over aan den Gezaghebber Hendrik Breton te Surabaya, die een plan indiende om van deze gelegenheid gebruik te maken voor het leggen van een kleine bezetting in Blambangan.

Hartingh bad dit vroeger onnodig gevonden, maar zijn opvolger als Gouverneur te Semarang, Van Ossenberch, was er wel vóór, daar Blambangan steeds een schuilnest van rebellen en malcontenten zou blijven. De G.G. Van der Parra wilde echter van het plan nog niet weten: directe belangen van de Compagnie waren er toen nog niet voldoende mee gemoeid. Later heeft men spijt genoeg gehad over deze beslissing.

Inmiddels had Van Hogewitz de aan zijn noodlot overgelaten Pangeran Patih Mangkuningrat met zijn eigen vaartuig naar Besuki overgebracht: vandaar trok de arme zwerver naar Lumajang, waar de kleinzoon van Surapati, Karta Nagara, het bestuur voerde. Deze wist hem twee maanden later weer naar Blambangan te doen terugkeren. Zijn zoon Sutajiwa was te Pasuruhan gebleven.

In Blambangan had Mangkuningrat alle gezag verloren: de Gusti Agung had er direct bestuur ingevoerd onder zekere Banyu Alit, die kort daarna vervangen werd door de Mengwi’se Gusti Ngurah

[p.1047] Ketut Kaba-Kaba en Kuta Bedah als stadhouders. Zijn broer Wilis was naar Mengwi overgebracht en daar geïnterneerd in de puri te Kaba-Kaba. Enige weken na zijn terugkeer werd ook Mangkuningrat met zijn familie gevat, naar Mengwi overgebracht en daar geïnterneerd bij een verwante, Walang Kajangan.

Dat de Gusti Agung van Mengwi zijn leenman, die zijn land aan de Hollanders had aangeboden, niet dadelijk afmaakte zal hieraan zijn toe te schrijven dat hij niet nodeloos de Compagnie wilde tarten. De Gouverneur Van Ossenberch had hem nl. op last van de G.G. aangeschreven om te protesteren tegen de overvoer van zoveel Balinese troepen naar Blambangan en hun mogelijk verder voortdringen op Java. Hierop had hij een voldoend antwoord gegeven.

In 1764, na een verblijf van bijna een jaar op Bali, werd Mangkuningrat gedood; de Gusti Agung kon nu de gruweldaad gelasten zonder het odium daarvan op zich te laden. In Mengwi heerste nl. een besmettelijke ziekte, die velen ten grave sleepte. Onder het lichtgelovige volk werd de mening gesuggereerd dat de epidemie te. wijten was aan de aanwezigheid van de vreemdelingen van Blambangan. Zekere Gusti Ngurah Batu, die voor de Gusti Agung de onderhorigheid Jembrana bestuurde, schijnt voor deze taak het voornaamste werktuig te zijn geweest. Met toelating van den Gusti Agung werd Mangkuningrat met zijn volgelingen door de opgezweepte bevolking van de desa Munggu naar de nabijgelegen havenplaats Seseh gesleept en daar op het strand werden allen gedood door middel van lansen, krissen en knuppels.

Mangkuningrat zelf kwam om onder de lanssteken van een zekere Ki Dubur. De lijken werden in zee geworpen. Nog tot heden geldt het toneel van deze furie voor de bevolking van Seseh als een gevloekte (panas, sebel) plek. Het aantal slachtoffers wordt opgegeven 80 te bedragen. Dit lijkt veel maar lettende op het grote aantal familieleden en volgelingen, die zelfs geringe hoofden er destijds op na hielden, is het getal zelf niet onwaarschijnlijk.

Aan het bloedbad ontkwam de gelijkgradige vrouw van Mangkuningrat, genaamd Mas Ayu Nawangsasi, met haar drie dochters, benevens een zusje en twee jongere broers van 8 en 7 jaar, Mas Alit en Mas Talib (of Mas Sangot), die later compagnies-regenten van Banyuwangi zijn geworden. De vader van deze personen Wira Guna (schoonvader dus van Mangkuningrat en tevens een neef van deze) behoorde tot de vermoorden. De Gusti Agung zond deze gespaarde vrouwen en kinderen terug naar Blambangan; toen de Compagnie in 1767 Blambangan veroverde, zochten allen een schuilplaats bij de panembahan Cakra Adiningrat VI van Bangkalan, die daarop met de weduwe huwde.

Alzo waren rijk en dynastie van Blambangan voor goed gevallen.

[p.1048]

f. Blambangan wingewest van Mengwi (1764-1767) veroverd door de Compagnie (1767)

De Mengwi’se stadhouders Ng. Ketut Kaba-Kaba en Kuta Bedah voerden in Blambangan een echt Balinees wanbeheer, eisten zware leveringen van de bevolking, lieten zich de mooie vrouwen toezenden; hun zendelingen roofden de goede vechthanen en vechtkwartels en wat hun meer beviel. Het Balinese bestuur werd zo gehaat, dat de bevolking boven de voortzetting daarvan de komst van de Compagnie zou verkiezen, doch het liefst Wilis zou zien terugkeren.

De stadhouders onderhandelden met een Engelse koopman over handeldrijven in Blambangan en verwezen deze naar hun heer voor het afstaan van gronden voor een etablissement. Een paar spionnen van de regent van Probolinggo kwamen hier achter; deze rapporteerde het geval aan de gezaghebber te Surabaya Mr. Johan Everard Coop à Groen; de regering zond de Maleier Bapa Mida voor een stille inspectie naar Blambangan en Bali (1766) op voorstel van de Gouverneur van Java’s noordoostkust Johannes Vos.

En Inderdaad begonnen de Engelsen te handelen op Blambangan en Bali in opium, geweren en lijnwaden tegen provisiën en hout, met de bedoeling zich voor vast te nestelen. De Chinezen concentreerden zich te Ulu Pampang en stonden op het punt die haven aan een bende Mandarezen in handen te spelen. De vorst van Mengwi was onschadelijk, omdat hij te kampen had met onlusten in eigen land, maar Blambangan, Badung en Karangasem waren gevaarlijker.

Nu besloot de Regering te Batavia via in Straat Bali te doen kruisen tegen Engelsen en andere ongewenste elementen, maatregelen te nemen tot beveiliging der grenzen van 's Compagnies gebied, een kleine post te vestigen aan Straat Bali en een Javaanse hoofd over Blambangan aan te stellen.

Het was niet te voorzien, dat dit eenvoudige besluit het begin zou worden van een zee van rampen voor de Compagnie en de bevolking van Blambangan.

De geschiedenis der verovering van dit voormalige rijk in 1767, van de oorlog tegen Pangeran Wilis (1768) en van de heftige strijd tegen de gehele bevolking onder de pseudo-Wilis (1771-1772) te Bayu is bekend uit de stukken, afgedrukt in het elfde deel van De Jonge, Opkomst enz. Wij noteren dus hier slechts de hoofdpunten, aangevuld door enkele niet gepubliceerde mededelingen van Wikkerman.

25 februari 1767: De expeditie verenigt zich in de haven van Koanyar (Madura). Alle beschikbare schepen warden tezamen gebracht tegen de Engelse vloot, die de expeditie niet verontrust : de ingangen van straat Bali geblokkeerd. Oversteek naar Panarukan: aldaar een benteng opgericht; ook Probolinggo krijgt een kleine bezetting. De noordelijke districten onderwerpen zich. Een deel van de expeditievloot zeilt rechtstreeks naar Banyu Alit.

[p.1049] 11 maart 1767: De hoofdmacht, onder de commandant van Semarang Erdwijn Blanke en die van Pasuruhan Caspar Lodewijk Troponegro, waarbij 2000 Madurezen, trekt over land langs de kust. Alleen te Prajekan wordt de voorhoede in de flank aangevallen door troepen van de regent Karta Nagara van Lumajang, die ook de bezetting van Probolinggo verontrusten en de wegen daarheen versperren. De expeditie komt 23 maart te Banyu Alit aan. De hier opgeworpen benteng wordt bij de eerste aanval ontruimd. De bevolking vraagt verlost te worden van bet Balinese bestuur en heeft zich gesteld onder leiding van Mas Anom, een zusterszoon van de laatste vorst, en Mas Uno (of Mas Teka, Weka, Wikko), een verdere verwant van deze. Men gaat door naar Kota Lateng, de zetel van Gusti Ketut Ngurah Kaba-Kaba.

Deze wordt gedwongen te vluchten naar Ulu Pampang (n), de grootste handels- en vissersplaats waar de Chinezen en de Buginezen en Mandarezen zich verschanst hebben. Deze plaats wordt nu door Blanke belegerd. De door de Balinese stedehouders van Mengwi gevraagde hulp blijft uit door de stevige blokkade, die zich tot Grajagan aan de zuidkust uitstrekt. G. Kuta Bedah wil een poging wagen om te vluchten naar Bali, doch Gusti Ketut Ngurah Kaba-Kaba verzet zich hiertegen.

Note: De lezing van deze plaatsnaam Lopangpang, zoals de Babad Blambangan in tembang die geeft, is vermoedelijk de juiste. Lo, lolo, loloan is de Balinese naam voor een moerassige kustvlakte van een rivier: de plaats ligt aan de monding van de Pangpang-rivier.

Een uitval van de Balinezen met de Buginezen en Mandarezen tegen de Blambanganners onder Mas Anom on Mas Weka te Logenta (monding der Genta, tussen Banyu Alit en Lopangpang) loopt voor de eersten ongelukkig af. Nu trekken de Balinese stedehouders zelf naar Logenta. Kuta Bedah wordt gevangen genomen en neergeschoten; Ngurah Kaba-Kaba maakt zich met zijn getrouwen, zijn vrouwen, bijvrouwen en kinderen gereed tot de “puputan", het enige waardige uiteinde voor een dappere Balinees in zulk een geval. Eerst deinzen de Blambanganners nog even terug voor de onstuimige aanval. Ngurah Kaba-Kaba wordt echter gewond aan de dij, valt, doodt zijn padmi's en kinderen. De bijvrouwen (selir) weten te ontvluchten; Ngurah Kaba-Kaba en de nog overgeschoten Balinese aanvallers vinden de dood in de puputan.

De inwoners van Ulupampang trekken met witte vaandels en hoofd van Ngurah Kaba-Kaba als zegeteken Blanke tegemoet; het hoofd van Kuta Kaba-Kaba wordt Blanke aangeboden door de halfbroeder van de vermoorde, die zijn eigen aanspraak op de clementie der Compagnie grondde op zijn geboorte uit een Javaanse en niet uit een Balinese moeder.

[p.1050] Op 31 Maart 1767 doet Blanke zijn intocht in Ulu Pampang; de Compagnie is meester van het oude rijk.

Ulu Pampang en de omstreken worden verder gezuiverd van de nog zwervende Balinezen, die door de bevolking naar het Compagnieskamp worden opgejaagd of vermoord. De Chinezen, Buginezen en Mandarezen bieden hun onderwerping aan. Blanke laat een benden te Ulu Pampang bouwen, maar wegens de groote sterfte, waaraan zijn troepen bloot stonden, trekt hij spoedig het land binnen naar het gezondere Kuta Lateng. De Madurese hulptroepen, nu werkloos en daardoor tuchteloos en roofziek, veroorzaken door hun plunderingen veel zorg, waarom Blanke hen naar hot kustfort te Banyu Alit verwijst.

West-Blambangan was nog in handen van 's Compagnies vijanden; wij zagen hoe Karta Nagara van Lumajang vijandig was opgetreden; bovendien verleende hij asiel aan Balinese vluchtelingen van Oost-Blambangan.

Gouverneur Vos besloot nu (waarschijnlijk eigener autoriteit) om de plunderzieke Bangkalanse hulptroepen uit Oost-Blambangan met een deel der Europese manschappen onder Troponegro ter onderwerping van West-Blambangan uit te zenden. Te Lumajang aangekomen vond deze de Regent gevlucht naar zijn verwant en ambtgenoot Malaya Kusuma te Malang; hij maakte er een benteng en eiste de regent op, natuurlijk zonder succes.

Hoewel Malang eigenlijk volgens het verdrag van 1743 Susuhunans gebied was, machtigde G.G. Van der Parra in juni en juli 1767 de Gouverneur Vos dit gewest te veroveren, temeer daar het een schuilplaats was van de vijanden van Compagnie en Susuhunan; kort te voren had de Mataramse rebel Pangeran Singasari (Prabu Jaka) van daaruit nog een inval gedaan in Soerabaya en daarbij desa’s verbrand. Versterkingen werden gezonden; kapitein Frans Bernard van Hounold bezette de wegen van Malang en Ngantang uit naar het noorden: Troponegro deed met zijn troepen de ontzettend moeilijke tocht zuidelijk om de Sumeru heen en verenigde zich met de van Pasuruhan uit gezonden troepen onder de commandant van die plaats Gondelag.

Op 2 september 1767 eindigde een hevige slag tegen de benden van Malang en Lumajang bij Gubug Klakah, op de zuidwestelijke helling van de Sumeru, die wel door Troponegro werd gewonnen, maar ten koste van zware verliezen, terwijl de vijand, die over paarden beschikte, bij de vervolging slechts geringe verliezen leed en geen der hoofden gevangen werd. Kort daarna nam Gondelag Malang in, waardoor de vijandelijke hoofden gedwongen waren het verwoeste en verbrande land te verlaten en de wijk te nemen naar Wulo Laras, zuidwesten van Wlingi. Karta Nagara was bij de verovering

[p.1051] van Malang gesneuveld. Troponegro deed daarop met het hoofdkorps,versterkt door 400 ruiters, geleverd door de Surabaya’se regenten, de zware tocht naar Ngantang, waar hij zijn zeer gedunde troepen kon versterken met die van de Susuhunan onder de Adipati van Pranaraga. De vervolging werd nu voortgezet, doch na de mislukte aanslag op Lodalem in Kediri was de regentijd inmiddels zo vergevorderd, dat de uitgeputte troepen rust moesten nemen in het kamp te Serengat bij Blitar (december).

In het voorjaar van 1768 werd de vervolging voortgezet en eerst na, een langdurige guerrilla in de streek om Serengat werd Pangeran Singasari gedwongen zich over te geven; zijn zoons Raden Mas en Tirta Nagara wisten te ontsnappen: de eerste werd ten slotte op Jogya’s gebied door het volk in een hinderlaag gelokt en uitgeleverd, de tweede was reeds te voren te Ngantang door een patrouille gevangen genomen (mei en augustus 1768).

Malaya Kusuma, van allen verlaten, trachtte te vluchten naar het Zuiderstrand, maar werd, met de Balinese zendeling Wayan Kutang (van de inmiddels in opstand gekomen Wilis) gegrepen en gedood op dezelfde plek, waar Karta Nagara de dood had gevonden. Pangeran Singasari, zijn zoons, zijn mindere volgelingen, alle met vrouwen en kinderen, werden ten getale van ruim 20 personen met gevolg naar Batavia gevoerd en in afwachting van hun lot voorlopig geïnterneerd op Edam, een der Duizend-eilanden [Pulau Seribu].

Lumajang, Malang met Ngantang en Porong werden tot Compagniesregentschappen gemaakt.

Inmiddels hadden de zaken in Oost-Blambangan een ongunstige keer genomen.

g. Strijd tegen Wilis en de pseudo-Wilis (1768, 1771-1772)

Blanke richtte na de val van Ulu Pampang een versterkt verblijf in aan het strand, iets ten zuiden van Banyu Alit, en ving aan Oost-Blambangan te besturen met behulp van Mas Anom en Mas Uno (Weka), hoewel deze nog niet als regenten waren gekwalificeerd. Reeds in juni van hetzelfde jaar 1767 overleed hij en word als commandant opgevolgd door de vaandrig Adriaan van Rijke, terwijl de vaandrig Cornelis van Biesheuvel als secundus in het fort bleef.

Het leek nu alles zo rustig te gaan, terwijl er bijna geen troepen meer waren. Voor de Gusti Agung van Mengwi, die geen ogenblik zijn aanspraken op Blambangan had opgegeven, was nu de tijd gunstig voor een nieuwe geheime actie.

In september van hetzelfde jaar 1767 kwam Gusti Agung’s neef, de ons reeds bekende Wong Agung Wilis, sedert 1763 op Bali, in stilte met een groep Balinese edelen te Grajagan aan wal en vestigde zich in de dalem van zijn vermoorde halfbroer te Kuta Lateng. Tevoren had hij, onder voorgeven in Mengwi niet goed behandeld te worden,

[p.1152] aanneming door de Compagnie laten verzoeken, doch hierop geen antwoord afgewacht. Het is wel vreemd, dat men de bij het volk zo populaire Wilis, de afstammeling van de grote Tawang Alun, rustig in de vorstelijke dalem liet wonen. Weldra bemerkte Van Rijke dat het volk onwillig werd in het werken voor de Compagnie, dat Wilis voeling hield met Malaya Kusuma in Lumajang, dat hij op jachttochten Balinees geld en Engelse geweren uitdeelde, weer een aanhang kreeg van Chinezen, Buginezen, Mandarezen en hele en halve Balinezen. Van Rijke verzocht en kreeg de toezending van 1000 Madurezen van Bangkalan; de peranakans (van Balinezen en Blambanganse moeders), die zich niet vrijwillig onder de Compagnie stelden, werden tot slaven verklaard en konden door de Madurezen tegen 35 rijsdaalders per stuk aan de Compagnie worden geleverd (februari 1768).

Op last van Coop à Groen werden nu Mas Anom en Mas Uno als regenten aangewezen (volgens de Babad Blambangan was Wilis nota bene door de Compagnie aangesteld tot regent en werd hij later overgehaald tot verraad!) en van Wilis geëist zich te Banyu Alit te melden en naar Semarang te gaan. Tot twee maal weigerde hij. Toen ging Van Rijke met dekking van Madurezen naar Kuta Lateng om Wilis te halen. Deze beweerde ziek te zijn en liet zich naar buiten dragen, bewerende dat hij na herstel dadelijk zou komen. Van Rijke liet hem daarna ongemoeid, tot grote verontwaardiging van twee hem vergezellende scheepskapiteins en zijn Madurese officier Sirna Antaka, die met geweld hadden willen optreden.

De volgende morgen, 21 maart, kreeg Van Rijke bericht dat de regenten Anom en Uno verraad hadden gepleegd en de eed van trouw aan Wilis gezworen.

Het verzet barstte opeens los; Ulu Pampang was weer het centrum van de opstand en binnen enige dagen was Van Rijke door vijanden ingesloten binnen het fort Banyu Alit. Van de hoofden waren alleen Suta Nagara en Wangsengsari hem trouw gebleven, beiden behorend tot de vroegere Blambanganse vorstenfamilie. Deze werden voorlopig tot regenten aangesteld.

Weer werden Madurezen aangeworven; de door de Sultan van Yogyakarta aangeboden hulp werd afgeslagen; mariniers en infanterie uit Batavia en een korps Oosterling werden gezonden: 1700 man Lumajang zouden langs het zuiderstrand naar Oost-Blambangan trekken (doch hiervan bezweken onderweg 400 man aan dysenterie); een nieuwe scheepsmacht werd naar Straat Bali gedirigeerd; een observatiepost op Nusa Barung gevestigd.

Zo kon de gezaghebber te Surabaya Coop a Groen in april 1768 met 2000 man verse troepen naar Banyu Alit zeilen; Gouverneur Vos vestigde zich tijdelijk te Surabaya en ontbood daarheen zelfs zijn keurkorps der Semarangse dragonders.

[p.1053] Coop à Groen kon 1000 man in Banyu Alit werpen en viel daarop van de zeezijde, het sterk verschanste Ulu Pampang aan dat na zware strijd werd vermeesterd, waarbij veel gevangenen van allerlei ras werden genomen en naar Surabaya opgezonden (13 mei).

Daarop trok hij naar Kuta Lateng, waar Wilis zich met 6000 weerbare mannen had versterkt. Do verdediging was krachtig, maar gebrek en desertie verzwakten de belegerden zodanig, dat Coop à Groen bij een stormaanval op 18 mei 1768 de sterkte kon nemen. Kuta Lateng werd verbrand en uit het materiaal van de oude dalem een nieuwe sterke benteng opgericht voor de Compagnies bezetting.

Wilis had weten te ontvluchten, maar werd door een list van de ex-regent Mas Uno (Weka), die evenals Mas Anom zijn verraad door allerlei middelen trachtte te doen vergeten, weer gevat te Blimbing (ten westen van Banyu Alit).

De compagnieën roofzieke Bangkalanners werden zo spoedig mogelijk ontbonden en huiswaarts gezonden en een algemene amnestie voor het volk afgekondigd.

Zo waren dus bijna gelijktijdig in Oost- en in West Blambangan de vijanden van de Compagnie gevat. Wilis, Anom en Uno werden mee naar het depot van politieke gevangenen op Edam gebracht. Eerst zou Wilis naar de Kaap worden verbannen, doch later werd hij met Anom, Uno en de zoons van P. Singasari naar Banda gevoerd. Enige honderden andere gevangenen, Chinezen, Buginezen, Mandarezen, smokkelaars, munitieleveranciers, gingen in ketenen naar Ceylon en Malabar. P. Singasari zelf overleed aan de gevolgen van een beenwond voor hij zijn ballingsoord (De Kaap) had bereikt. Wilis is later met zijn zoons ontvlucht van het Banda’se Rosengain naar Seram en wist vandaar Bali te bereiken, waar hij spoedig daarna stierf (voor 1780).

Nu kon men ook in Oost-Blambangan het bestuur gaan organiseren. Dat men daarin een gelukkige hand had kan niet worden gezegd. Tot regenten werden aangesteld de bovengenoemde Suta Nagara en Wangsengsari, waarvan de eerste tevoren enige maanden te Surabaya was aangehouden als verdacht van onbetrouwbaarheid. Men bleef dus aan het ongelukkige twee-regenten-stelsel, dat tot zoveel intriges aanleiding gaf, vasthouden. Verder werden de nieuwe regenten gepersuadeerd tot de Islam over te gaan. Bij de plaatselijke bestuurders bleef de gedachte maar vastzitten, dat dit het ware middel was om hen van de heidense Balinese invloeden af te houden.

Die geloofsdwang was niet alleen ongepast en onpolitiek, maar ook niet eens een gelegenheidseis: de bevolking was volstrekt niet pro-Balinees, maar wilde haar eigen leven leven, onverschillig voor enig godsdienstetiket, en zij wilde niet beroofd worden door vreemdelingen. Wel was zij anti-Javaans: de herinnering aan de verwoestingen van hun land, aan de wreedheden en de wegvoering van de bevolking door de vorsten

[p.1054] van het eigenlijke Java was in het bloed blijven zitten en tot haat gestold.

Suta Nagara was in het bijzonder geliefd bij bet volk.

Na het vertrek van Coop à Groen bleef de majoor Colmond als hoofdcommandant achter. De bezetting werd vastgesteld op slechts 74 man voor Oost-Blambangan, 21 voor Lumajang, 14 voor Malang en 29 voor Ngantang; de eerste werd nog verdeeld over Ulu Pampang als hoofdvestiging, Kuta Lateng, waar eerst kapt. F.B. van Hounold en daarna de luit. Van Schaar commandant was, en Banyu Alit, waar een sergeant als posthouder verbleef met enkele manschappen.

Hoe klein dit getal ook was, het was toch zeer moeilijk die garnizoentjes op sterkte te houden, want de sterfte was verschrikkelijk. Van januari 1767 tot half september 1768 waren er op het geringe getal Europeanen 335 gestorven. Ulu Pampang werd eerst voor zeer gezond gehouden: daarom werd daar een centraal hospitaal gesticht. Hoe dodend het klimaat was voor Europeanen blijkt ook uit de lijst van bestuurders (residenten) door Wikkerman gegeven (ongerekend verloven en waarnemingen):
1767. Blanke overlijdt na 3 maanden.
1771. Biesheuvel overlijdt; opvolger is Schophoff.
1777. Schophoff overlijdt; vervanger luit, Dijkman (Banyuwangi hoofdplaats).
1778. Dijkman overlijdt; vervanger luit. P. Mierop.
1781. Mierop overlijdt; vervanger luit. Keysel.
1786. Keysel overlijdt; vervanger luit. Becker.
1788. Becker overlijdt; vervanger luit. C. de Harris.
1800. De Harris overlijdt; vervanger J. C. van Wikkerman. Deze was in 1805 nog te Banyuwangi; volgens Hageman (De Engelschen op Java, Tijds. Bat. Gen. VI, 1857, p.374) was in 1811 L. Jansen landdrost te Banjoewangi. Tijdens het Engelse tussenbestuur waren residenten Capt. Neight, Capt. Clarke en Lieut. Davis; na de restauratie van het Ned. gezag kreeg Van Wikkerman weer deze post, waar hij in 1818 nog zat.

Colmond die nieuwe commandant, was een hard heer. Zijn maatregelen legden mede den grond voor de verschrikkelijke gebeurtenissen, die dit land van noodlottig onverstand en ellende in 1771 en 1772 teisterden. Wikkerman verhaalt - en de officiële stukken geven het feitelijk toe - dat hij door het hele land patrouilles onder Hounold en Heilbronner uitzond om al de rijst en andere levensbehoeften op te vorderen en mee te voeren, of deze, voor zover meevoeren niet mogelijk was, liet verbranden. De volgenden westmoesson liet hij de rijstvelden weer bebouwen op dwangbevel, waarna de oogst opnieuw door dwang werd opgevorderd. Bovendien liet hij de bevolking, zonder deze van levensmiddelen te voorzien, werken aan de versterkingen te Ulu

[p.1055] Pampang en Kuta Lateng, wegen aanleggen, het houtgewas tussen de zee en de forteres van Ulu Pampang weghakken, een redoute aanleggen op Gunung Ikan (het bergschiereiland, dat de Pampang-baai afsluit), voor de controle van de bewegingen der Balinezen. Hongersnood, ziekten, groote sterfte, vluchten naar de wildernis waren van deze maatregelen het gevolg. Hij handelde eenzijdig als militair, waar een kundig en met zijn volk meevoelend bestuurder het land ten overvloedige zegen zou zijn geweest. Eerst in april 1770 werd de rijstbouw geheel vrijgelaten.

In september 1769 overleed Coop à Groen en werd Colmond met de waarneming van diens betrekking belast, totdat Mr. Pieter Luzac in de laatste dagen van dat jaar tot Gezaghebber van Java’s Oosthoek werd aangesteld.

Van Biesheuvel werd resident in Blambangan met Schophoff als secundus. In mei 1771 kwam aan het licht dat de beide regenten Suta Nagara en Wangsengsari, met de patih van de eerste, een compromitterende briefwisseling onderhielden met de Gusti Agung van Mengwi. Balinese troepen stonden al gereed om een inval te doen onder Gusti Tangkas. Van Biesheuvel vatte het drietal tijdig op en zond het naar Surabaya, vanwaar ze met hun gezinnen naar Edam werden gevoerd en bij arrest van 25 juni voor een deel naar Ceylon werden verbannen.

Luzac stelde de ene trouw gebleven patih Jaksa Nagara tot regent aan. doch dit was in 't geheel niet naar de zin van Gouverneur Vos. “Wij moeten er onze eigen, Javaanse regenten hebben," aldus resumeerde hij zijn onjuiste inzicht. En hij benoemde dan ook de patih Karta Wijaya van Surabaya, ook Karta Nagara genoemd, tot regent.

Maar nog op het einde van hetzelfde jaar, toen het oproer al aan de gang was, werd Karta Wijaya maar teruggeroepen, “omdat de Blambanganners hardnekkig geen Javaanse regent wensten." Jaksa Nagara bleef nu alleen regent tot 1773, toen Wira Guna zou worden aangesteld (zie beneden); hij vroeg toen gedwongen ontslag en vestigde zich als landbouwer in Pasuruhan. Deze regent voerde een wanbeheer op dezelfde wijze als de twee mislukte stellen voorgangers. Ten nadele van Karta Nagara is niets bekend geworden.

Nauwelijks was dit gevaar bezworen of een tweede verscheen, waarin wellicht ook de hand van den Gusti Agung van Mengwi is te herkennen.

Een sergeant van de bezetting van Ulu Pampang, die grieven tegen Van Biesheuvel had, smeedde met enige soldaten en misnoegde inlanders een complot om het fort af te lopen, de wachtschepen op de rede te bemachtigen en vermoedelijk een en ander de Balinezen in handen te spelen. De zaak werd tijdig ontdekt, de sergeant neergelegd, enige kwaadwilligen zwaar gekwetst en de minderen naar andere

[p.1056] garnizoenen overgeplaatst. Bij het handgemeen was de boekhouder van het fort gesneuveld.

In Juli 1771 werd Vos door Johannes Robbert van der Burgh vervangen als Gouverneur van Java's noordoostkust en onmiddellijk daarop begon de 14-maandse strijd tegen de ‘pseudo-Wilis', die meer inspanning en mensenlevens kostte dan enige oorlog, die de Compagnie te voeren had gehad.

De pseudo-Wilis was een dier politieke sjamanen, zoals er meerdere een rol hebben gespeeld in de geschiedenis van Java, Bali, Lombok, Celebes enz., tot in onze dagen toe; hij was geen op zichzelf staande verschijning. In 1782 trad in hetzelfde Blambangan een tweede pseudo-Wilis op en in West-Blambangan bracht ene vrouwelijke sjamaan, ook in 1771, het land in beweging. Dikwijls worden zulke sjamanen als werktuigen gebruikt door auctores intellectuales van hoger rang. Men heeft hier niet te doen met het geloof aan reïncarnatie, maar aan die vorm van sjamanisme, waarbij de geest van een gevierd persoon in het lichaam van het medium treedt, daarin permanent vertoeft en zich van diens organen bedient.

Het eerste optreden van dezen pseudo-Wilis is vermoedelijk nog te wijten aan de regent Jaksa Nagara. Volgens Wikkerman was hij zekere Rempek of Rempak, bediende (panakawan) bij Bapa Samila, een beambte en ‘bloedvriend van Jaksa Nagara. Deze begeerde de vrouw van Bapa Samila; Rempek stond hem daarbij in de weg en daarom stond Jaksa Nagara Rempek naar het leven. Rempek vluchtte daarom naar Bayu, waar hij in de leer ging bij de ‘ajar’ Ropo. Bayu was het gewijde oord, waar ook Tawang Alun had vertoefd en zijn aanhang had gekregen (zie onder d), een oud bergheiligdom dus.

Volgens de Babad Blambangan zou Rempek een afstammeling zijn van Tawang Alun (en tevens een halfbroer van de latere regent Wirna Guna), geboren uit een geringe vrouw van de desa Pakis in Badung (Bali). Dat het volk hem van de nationalen held deed afstammen is natuurlijk; een der spionnen van Schophoff maakte van dit geloof gebruik door voor te geven, dat in hem de geest van Rempeks vorstelijke voorvader (hier Panembahan Sumiro genoemd) was gevaren. Deze werd met grote eer te Bayu behandeld, maar kon het volk toch niet tot onderwerping bewegen.

De ‘ajars’ (asceten, kluizenaars, leraars) hadden grote invloed op het gemoed van het volk, dat onvoorwaardelijk aan hun wondermacht geloofde. Bayu lag noordwestelijk van Ulu Pampang op de helling van [Gunung] Raung, nabij Songgon en Susukan, nog ongeveer twee uur boven Indrawana (Derwana). Enig muurwerk, nabij Songgon gevonden, is vermoedelijk van dit Bayu overgebleven (zie Inventaris Hindoe-oudheden III 1923, p.123, no.2547).

De vlucht en het opsporen van vijf gundiks [maîtresses] en tien andere vrouwen

[p.1057] uit de dalem van Jaksa Nagara, die tot Rempek waren gevlucht, leidde tot het ontdekken van diens verblijf.

Kort daarop ging het gerucht door het land van de belichaming van de in 1768 verbannen Wong Agung Wilis in het lichaam van Rempek. Honderden gezinnen trokken naar Bayu en bleven er, zelfs de meeste inwoners van Ulu Pampang, met medeneming van wapens. Pogingen van Schophoff om in der minne het volk tot terugkeer te bewegen faalden. Steeds werd de eis gesteld: terugkeer van de verbannen regent Suta Nagara; de dood van de regent Jaksa Nagara. De Compagnie had de mensen bedrogen door de verbanning van Suta Nagara. De beweging was in de aanvang nationaal-Blambangans en anti-Javaans; de drijfveer haat tegen Jaksa Nagara; het bindmiddel dweepziek bijgeloof, gevoed door de bapa’s Ropo, Enda en Larat; de economische ondergrond de verarming van de bevolking, die niets meer te verliezen had.

Van een anti-Mohammedaanse geest blijkt niets; een deel van de omgeving van de pseudo-Wilis was zeker Mohammedaans en de hoofdman zelf worden aanroepingen van Allah in de mond gelegd. Van aanstokerij van Balinese zijde blijkt In het begin niets; eerst in de tweede, zuiver-militaire periode van de strijd, na juli 1772, toen Rempek aan de gevolgen van een bekomen wond was gestorven, stond de oorlog onder Balinese leiding. Het was ook toon niet meer het inmiddels vrij machteloos geworden Mengwi, dat hulp verleende, maar voornamelijk Badung, Karangasem en Buleleng.

Rempek kreeg van zijn volgelingen titel en naam van Pangeran en zelfs Susuhunan Jagapati.

De krijgsbedrijven zelf zijn in de bij De Jonge afgedrukte rapporten omschreven (Xl, 174 v.v., 199 v.v., 214 v.v.) en worden hier kort geresumeerd.

1771. 3 augustus: De regenten naar Bayu gezonden met 70 gewapenden; deze lopen over; het volk sluit zich nu bijna in zijn geheel bij de hoofdman Rempek aan. Doden en gewonden.

5 augustus: Biesheuvel met zijn militairen naar Bayu, moet onverrichter zake terug. Schophoff gaat de desa's in om het volk tot terugkeer te bewegen. Op de terugweg stuit hij bij Gambiran op 200 oproerigen, die amok maken en weer de bossen invluchten. Schophoff vraagt militairen.

De regenten van de noordkust van Java zenden hulptroepen; deze naar Blambangan gezonden onder de luit. Imhoff en Montro. Het aantal rebelIen groeit sterk aan.

22 september: Imhoff is doorgedrongen tot in de verschansingen van Bayu; zijn Inlandse troepen deserteren de bossen in; de Europeanen moeten de strijd staken wegens gebrek aan munitie. Zware verliezen; geschut achtergelaten. Imhoff gewond. Biesheuvel vraagt 1000 Madurezen en 150 Europese militairen aan om het land te verwoesten en

[p.1058] van levensmiddelen te ontbloten, teneinde de rebellen door honger en gebrek tot overgave te dwingen.

Inmiddels komen de hoofden van Puger en Sentong (bij Bondowoso) en andere in West-Blambangan mede in opstand, opgewekt door ene begeesterde vrouw, die zich opwierp als ‘keizerin’. Duizenden rebellen lopen het land aan weerszijden van de Raung af. De posthouder Steenbergen te Jember moet terugtrekken: de kleine bezetting van Nusa Barung wordt omgebracht, de wegen naar Panarukan afgesneden; de luit. Fischer kan tenslotte Puger en Jember weer bezetten. In deze opstand was Gaga Baneng, bekel van Sentong, de dappere leider; na te zijn verslagen bij Ledok, Mandira en Sekarputih sneuvelt hij te Sentong.

De pseudo-Wilis krijgt versterking van Balinezen, slaat zelfs het beleg voor Kuta Lateng met behulp van 300 Balinezen van Jembrana, die met wapens en provisiën hadden kunnen oversteken.

De Compagnie spant alle krachten in om een leger bijeen te brengen: 1000 man van Madura, korpsen Oosterlingen geworven; de garnizoenen van Batavia, Surabaya. Pasuruhan, Surakarta, Yogyakarta, de dragonders van Semarang als kerntroepen, tot 2000 wapendragenden.

Begin november: Biesheuvel sterft; Hendrik Schophoff wordt 1e resident. Het leger komt te Ulu Pampang aan onder bevel van de kapiteins Reygers en Heinrich. De vijand breekt het beleg van Kuta Lateng op. Reygers ruïneert de voorraadschuur der rebellen Banjar, aan de voet van den Raung, bezet Grajagan aan de Zuidkust, vanwaar de rebellen hun toevoeren van Bali kregen, verbrandt er 300 kojan rijst; pardonbrieven aan de bevolking uitgevaardigd in de hoop de invloed van de heilige te verzwakken.

13 december: Reijgers [Reygers] breekt op van Kuta Lateng;
14 december: valt Bayu aan, dat buitengewoon versterkt blijkt.
In de week van 14-20 december 1771 valt de dramatische vernietiging van het Compagniesleger. In twee groepen rukte men op, van Susukan en Songgon. Reijgers wordt al dadelijk zwaar aan 't hoofd gewond en sterft later te Ulu Pampang; luit. Van Schaar neemt zijn commando over. Ook Heinrich krijgt een wond aan het been.

Rempek ontving in deze dagen de wond, waaraan hij later stierf. De Compagniestroepen wierpen een tegenbenteng op en moesten op munitie-aanvoer wachten. De 18e had een woedende uitval van de Bayu’ers plaats: Van Schaar werd overrompeld en sneuvelde, evenzo de kornet Tinne; de vaandrig Ostrousky werd zwaar gekwetst. Van de Europeanen brachten maar enkelen het leven er af. De Madurezen hielden over het geheel dapper stand en wisten zelfs de uitvallers terug te drijven. Den 20sten trok het treurige overschot van de Compagniestroepen op Kuta Lateng terug onder leiding van den Madurese kapitein Alap-Alap; daarna kwamen nog geleidelijk enkele militairen zonder wapenen binnen.

[p.1059] De schuld van de nederlaag op 18 december werd toegeschreven aan Van Schaar, die dadelijk de wapens weggeworpen zou hebben en gevlucht zou zijn. Wikkerman beweert daartegen, dat de Europeanen hun geladen geweren wegens de regen gekoppeld en onder zeildoek bedekt hadden en dat de overval zo plotseling was, dat zij hun geweren niet tijdig hadden kunnen grijpen en deze de vijand in handen vielen. Bij het vluchten vielen daarop velen in een brede gracht, waar zij werden afgemaakt. Hij deelt ook mede, dat Van Schaars lijk door de woeste vijand werd gekookt en opgegeten en zijn hoofd zegevierend rondgedragen.

Men besloot nu voorshands alleen defensief op te treden, alle wegen af te sluiten, de aanvoer van levensmiddelen voor Bayu af te sluiten, de oogst te vernielen, Jember te bewaken en vooral Straat Bali te bekruisen, in het bijzonder de kust bij Menang en Grajagan, en zo de droge tijd af te wachten, inmiddels Madurezen aanwervend. De sterfte onder de weinige overgeschoten militairen was zeer groot.

Alle overgebleven officieren lagen ziek te Ulu Pampang.

Schophoff kreeg de last de weinige Inlanders, die nog in hun desa's verbleven, zacht te behandelen.

1772. Algemene oproep aan de regenten van Noordoost-Java om hulptroepen af te staan; 2000 Madurezen aangeworven; alle Europese militairen bijeengeschraapt; in augustus kan Heinrich zich met 5000 man en de trein naar Blambangan begeven. Van der Burch begeeft zich in persoon naar de Oosthoek. De Bayu’ers staan nu onder de leiding van Balinezen, deze en de ‘Beppo's’ blijven onverzoenlijk, hoewel een hevige epidemie binnen Bayu woedde.

1 oktober: Heinrich marcheert af van Ulu Pampang;

5 oktober: kampeert te Sutong? (Songgon?); legt hier eene benteng aan; de vaandrigs Mierop en Dijkman worden met 900 man en geschut op de hoogte rechts van Bayu geplaatst; bun ranggenoten Guttenbergen en Koegel met 500 man te Sutong; zelf posteert Heinrich zich met 1500 man en de vaandrig Jeniger te Sentum (?). Bayu nauw ingesloten.

11 oktober: Na een vals alarm op de rechtervleugel te hebben laten maken valt Heinrich met front en linkervleugel Bayu aan en verovert deze vesting met weinig verliezen. De meeste hoofden weten te ontvluchten. De levend gevangen weerbare mannen laat Heinrich doden en hun koppen tot afschrik op hoge bomen plaatsen.

De benteng bleek oordeelkundig ingericht; er was overvloed van levensmiddelen uit eigen aanplantingen, veel klein geschut en paarden. De bij de debacle van 18 december t.v. verkregen vuurwapens waren alle voor Balinese geweren verwisseld. Bayu werd op last van Luzac geslecht.

Bij Gambiran, Zuid van Bayu, had nog een gevecht plaats. Vele hoofden vluchtten naar Noesa Barung: het negorijvolk keerde zeer

[p.1060] langzaam naar de desa's terug. De opgevangen Balinezen werden als Compagnieslaven naar Batavia gebracht.

Aan resident Schophoff worden in inlandse bronnen na de onderwerping van de rebellen wreedheden ten laste gelegd en misschien niet geheel ten onrechte. Hij liet 264 te Ulu Pampang binnengebrachte mannen, vrouwen en kinderen naar Surabaya overbrengen en werd deswege ernstig berispt door Van dor Burch, toen deze Ulu Pampang bezocht. Een deel van deze mensen werd weer teruggezonden en Schophoff op het hart gedrukt vooral zacht te zijn jegens de “verleide” inlanders.

Tot 7 november hadden zich al 2505 mannen en vrouwen onderworpen.

Wikkerman beweert dat Schophoff de mannen, die beschuldigd waren van het maken van amok en het eten van het lijk van Van Schaar, had laten verdrinken. Ook zouden de Madurezen zich vrouwen en kinderen als buit hebben toegeëigend. Een deel van hen, die in wildernis waren gevlucht, kwam om van ellende, zozeer dat de lucht van de ontbindende lijken tot verre afstand hinderlijk was. Anderen vestigden zich in de bossen van Pucang Kerep, Kali Agung en Petang en bleven hardnekkig zich buiten de overige wereld houden. Nog in 1800 vond de voor korte tijd waarnemende resident Palm nog 200 zulke verwilderde mensen, die hij over de omgelegen desa's liet verdelen.

h. Geleidelijk herstel van het land sedert 1773: geschiedenis tot 1814

Na 1772 heeft het land, na de eeuw van verwoestingen en ontvolking, geen belangrijke politieke schokken meer gehad. Het herstel ging zeer langzaam en nog is de bevolkingsdensiteit ver beneden Java's gemiddelde.

Bestuur. Een goede en door de bevolking gewenste regent werd gevonden in Mas Alit (zie onder e. slot) uit hot huis van Tawang Alun. De G.G. gelastte Luzac deze in persoon van Bangkalan af te halen en te Ulu Pampang te installeren met grote luister,

“maar ook zonder hem, na het wonderlijk sentiment van de gezaghebber vond (Luzac) tot het Mohammetaans geloof te persuaderen, veelmin hem of zijne aanstaande onderhorigen daartoe te dwingen do nog zig met hei verdrijven van priesters te bemoeyen, welke menschen wij gelast hebben ongestoord in het oeffenen hunner godsdienst te laten".

Alit kreeg daarbij den titel en naam Raden Tumenggung Wira Guna (1773). Op een reis over zee naar Semarang om de verpachtingen bij te wonen en de Gouverneur de gewone hulde te doen, werd zijn vaartuig tusschen Tuban en Lasem door zeerovers aangevallen en de regent doodgeschoten (1782). Zijn broer Mas Talib (Sangot) volgde hem op onder dezelfde titel en naam.

In West-Blambangan werden nieuwe hoofden aangesteld te Prajekan, Sentong, Jember en Sabrang, met behoud van de oude indeling. Deze

[p.1061] veelhoofdigheid werkte slecht en daarom word in 1779 een regentschap ingesteld onder de Pasuruhanse regentzoon Tumenggung Prawira Diningrat, te Puger, nabij de Compagniespost te Klatak. Hier was nl. een fortje opgericht tegen de invallen der bewoners van Nusa Barung (zie beneden) met een wachtpost op het eiland Sempu. Men liet de vluchtelingen op Barung voorlopig met rust. Zekere Buginees Jani oefende daar een waar schrikbewind uit. De gezaghebber van Surabaya en de kommandant Fischer te Adirogo (Jember) trachtten herhaaldelijk tevergeefs met hem te onderhandelen. Nog in dat jaar kreeg Fischer Jani in handen en liet hem op eigen gezag onthoofden, waarvoor hij een geducht standje opliep van de G.G. Volgens Bosch was deze onthoofding het gevolg van een vergissing. In den Maleise lastbrief van Fischer stond, dat hij den “kepala Bugis" naar Jember moest brengen. Fischer vertaalde deze worden “het hoofd van de Buginees” in plaats van “het Buginese hoofd" en aan de aldus begrepen opdracht voldeed hij letterlijk.

Intussen bleef de sterfte te Ulu Pampang groot. Om die reden en omdat men de regent, die voorlopig te Benculuk nabij Kuta Lateng was gevestigd, dichter bij de kust wilde hebben, maar vooral omdat men de Balinezen beter in het oog wilde houden, werd na enig zoeken en adviseren de keus gevestigd op Banyuwangi (n) voor een nieuwe bestuursvestiging.

Note: De oorsprong van deze naam (“geurig water"), die volgens Wikkerman reeds vanouds bestond, wordt legendarisch verklaard uit de Middeljavaanse kidung Sri Tanjung, die buiten Banyuwangi op Java niet bekend schijnt, maar wel op Bali. Zie: Juynboll, Supp. Cat Jav. en M. hss, I, 1907, p.259 v.v.; Brandes, Beschr. Jav., Bal. en Sas. hss, legaal Van der Tuuk, III p.98 v.v.; Vreede, Cat. Jav. hss. p.394 Cod.3126; V.d Tuuk, Notes on the Kawi language, Journ. Royal Asiat. Soc. XIII (1881), p.42-58, spec. p.54; alsmede de naamsverklaringen in Soerab. Handelsbl. 1873 no.124, Veth’s Java, 1e uitg., III. 1082 en door L., in Weekblad “Indië", 7e j. 1923, p.229; Jaarv. Top. Dienst 1911 p.200.

In 1774 werd begonnen met de bouw van het fort Utrecht en de aanleg van de plaats; in 1775 verhuisde de regent en in 1776 was de overbrenging voltooid. De versterkingen te Ulu Pampang en te Kuta Lateng werden geslecht; te Ketapang-Kali Buntu bij de hoek van Pakem werd een kleine sterkte gebouwd voor de controle op het nauw van Straat Bali.

De oudere zuster van de jonge regent, sedert 1770 weduwe van de Panembahan van Bangkalan (zie onder e, slot), wilde zich te Banyuwangi vestigen, maar dit werd niet toegestaan, omdat men vreesde dat zij als weduwe van de laatsten, vermoorde vorst Mangku (of Danu-)ningrat in de ogen van het volk een politiek ongewenst overwicht zou krijgen. Omstreeks 1783 huwde zij ten derden male met Bupati Mata Pura te Surabaya. Het land, waar zij eens koningin was, heeft zij nooit mogen weerzien.

[p.1062] Toen in 1777 troepen uit Nederland waren aangekomen, besloot men Nusa Barung voor goed te zuiveren van de zeerovende en kustenschendende Buginezen en Balinezen, die daar na de val van Bayu genesteld waren. De commandant van Pasuruhan Van Rijk stak van Puger over en verdreef op 17 en 18 september na hardnekkige strijd de vijanden, en daarna van Sempu, waarheen zij waren gevlucht.

Van Rijk liet de nog overgebleven bevolking van Nusa Barung, 2000 zielen sterk, overbrengen naar Pasuruhan, Bangil en Surabaya, doch daarvan was binnen enige maanden een kwart bezweken. Het eiland werd nog een jaar bezet gehouden en daarna systematisch onbewoonbaar gemaakt en gehouden. Te Batu Ulu, aan de mond van de Mayang, bleef nog enige jaren een wachtpost gevestigd.

In 1781 stond onder de nog zwervende Blambanganners van Banyuwangi een nieuwe pseudo-Wilis op. die zich Pangeran Singo noemde; een premie werd op zijn hoofd gesteld, doch toen hij twee zendelingen uitzond om hulp te vragen aan de vorsten van Mengwi en Jembrana werden deze te Banyuwangi aangehouden en wezen zij de verblijfplaats van “gemelde vermetele paap".

Ernstiger liet zich een samenzwering in 1797 aanzien, onder de nog zwervende en onverzoenlijke heidense “Latengers" op touw gezet door zekeren Mas Sekar en ten doel hebbende de Hollanders te Banyuwangi te vermoorden en de Balinezen in te halen. De zaak was vermoedelijk op touw gezet door de Gusti van Jembrana; men sprak zelfs van Engelse inblazingen.

De hulp van Bali bleef uit, daar de havens van West-Bali toen juist werden verontrust door Buginezen. Uit Surabaya en Semarang werden ijlings enige compagnieën naar Banyuwangi gezonden; de oproerlingen werden uiteengedreven, Mas Sekar gevangen en de schuldigen in het fort te Banyuwangi streng gestraft of naar Semarang opgezonden. De samenzwering had zelfs vertakkingen buiten Bali. Dit was de laatste inwendige beroering, door de nog-niet-Mohammedanen in het leven geroepen.

De laatste Balinese inval op Java had plaats tijdens het Engelse tussenbestuur, in februari 1814. In Buleleng regeerde sedert 1804 Gusti Wayan Karangasem, in een soort afhankelijkheid van Karangasem. Deze was in 1808 ook meester geworden van Jembrana. De luit. gouverneur Raffles had (op papier althans) de slavenhandel afgeschaft. Deze maatregel veroorzaakte de Balinese groten veel schade en wekte hun hevig misnoegen op. G. Wayan Karangasem maakte zich meester van een Engels vaartuig, dat naar Karangasem was gezonden om vee te kopen, onder voorwendsel, dat het Engelse bestuur enkele zijner handelsprauwen te Surabaya had vastgehouden.

Deze prauwen waren verdacht van smokkelarij en doorzocht, doch nadat de lading was verkocht weer losgelaten, Wayan Karangasem en de raja van Karangasem zouden onverwachts een legertje in een aantal

[p.1063] prauwen, onder aanvoering van den stedehouder van Jembrana en twee mindere hoofden; dit landde even benoorden Banyuwangi, doch werd onmiddellijk aangevallen door de resident luit. Davis met zijn sepoys en totaal verslagen. De drie aanvoerders en 3/4 van de Balinezen sneuvelden: al hun schepen op één na werden genomen.

Eind maart en begin april vertrok met zes oorlogsvaartuigen eene strafexpeditie onder Mayor General Nightingale naar Boeleleng; 14 mei debarkeerden de troepen te Buleleng; Wayan Karangasem onderwierp zich; stad en puri werden bezet. De Raja van Karangasem was gevlucht. Een deel der expeditietroepen keerde terug naar Batavia: de rest zette de tocht voort naar Boni, waarheen ook een kleine expeditie noodzakelijk was. (Java Govern. Gazette, April 9 en Juni 4, 1814; Van Deventer, Het Ned. gezag over Java, 1891, p, XLI).

De groote tijd van Mengwi was toen al lang uit. In 1769 had de Gusti Agung nog op hoge toon zijn rechten op Blambangan naar voren geschoven, zodat Gouverneur Vos hem had willen aanpakken, maar de G.G. wou er niet aan; in de complotten van 1771 van de oproerige sergeant en de regenten had hij de hand.

In 1773 had Schophoff de stedehouder van Jembrana scherp moeten aanschrijven na de onderwerping van Bayu, omdat hij aan alle overgelopen Blambanganners asiel verleende;

in 1780 had Mierop met Mengwi nog scherpe correspondentie omdat de radja de Blambanganners, “die zijn onderdanen waren" niet uitleveren wou. Maar toen was juist Badung in opkomst, dat hem Jembrana ontnam, zodat de Gusti Agung aan de Compagnie hulp vroeg om dit te heroveren en enige kandidaten voor Ceylon uitleverde.

De laatste vijandige daad van Mengwi was het samenspannen in 1782 met den tweeden pseudo-Wilis. In 1817 werd Banyuwangi zwaar geteisterd door een uitbarsting van de Kawah Ijen.

Bij de herstelling van het Nederlands gezag in 1816 bleef Banyuwangi een residentie; in 1826 werd het bij Besuki gevoegd; in 1849 daarvan losgemaakt onder een zelfstandige assistent-resident, die tevens gecommitteerde werd voor de zaken van Bali en Lombok; in 1866 werd een resident bestuurshoofd van Banyuwangi en sedert de oprichting van de residentie Bali en Lombok in 1882 was het een afdeling van Besuki.

Wederbevolking van Blambangan en bevordering der welvaart.

Ten slotte nog een woord over de pogingen om het ontvolkte gebied weer op te werken.

Reeds dadelijk na de onderwerping van Mas Wilis in 1768 was men op wederbevolking van het land bedacht. De Bangkalanse hulptroepen, plunderziek en tuchteloos, werden onmiddellijk huiswaarts gezonden en door ordelijke Sumeneppers vervangen, die grote diensten

[p.1064] bewezen. Hun word vergunning verleend tot vestiging in Panarukan en dat is het uitgangspunt geweest van de belangrijke Madurese kolonisatie het grootste deel van Besuki. Later breidden zij zich ook uit over Bondowoso en Jember. De wederbevolking van deze laatste afdelingen met Javanen bleek onmogelijk; er was geen Javaansche kern meer voor een zo groot gebied.

De vijandige Chinezen en Buginezen waren uit Ulu Pampang verdreven. De G.G. Van der Parra begreep echter, dat de hervatting van het economische leven zonder Chinezen niet zou gelukken. Daarom werd de vestiging van andere Chinezen en andere vreemde Oosterlingen onder toezicht toegestaan, teneinde de handel in hout en vogelnestjes weer op gang te brengen en weer duiten in omloop te brengen; een proef met Chinese kolonisten uit Batavia werd genomen en vele van de vroegere Chinezen mochten er zich weer vestigen.

De plaatselijke bestuurders werd herhaaldelijk op het hart gedrukt de Sumenepse kolonisten zacht te behandelen.

Minder succes hadden de kunstmatige pogingen van 1771 en 1772 om Blambangan weer met Javanen te bevolken. De regenten uit de Oosthoek werd “aanbevolen” naar rato van hun aantal cacahs (eenheden, huisgezinnen) kolonisten erheen te doen verhuizen, en wel 5 gezinnen op elke 1000 cacahs. Toen bleek dat er geen animo bestond voor deze verhuizing, werd bevolen de zaak niet te forceren. Bij bekkenslag werden in de desa's de aannemelijke condities bekend gemaakt, waarbij de eerste 85 gezinnen waren vertrokken en aan de 200 volgende werd nog twee Spaanse matten extra reisgeld beloofd. Men meende, dat de treklust wel zou komen als men maar voortging de Balinezen en andere suspecte ingezetenen uit Blambangan te verwijderen. Maar alle aanmoediging bleef te vergeefs. Er was zelfs dwangemigratie toegepast, maar een deel der gedwongen emigranten vluchtte, zelfs naar de Vostenlanden, zodat men van dit pogen moest afzien en alleen het verbod uitvaardigde om vrouwen, jonge dochters en kinderen te exporteren. De onverzoenlijke Blambanganners, die naar Bali waren gevlucht, wilden niet terugkomen en de vorsten op Bali lieten hen niet gaan.

Toch zou Blambangan in 1780 weer een bevolking van 9000 zielen hebben gehad, doch daar moet dan wel het gehele grondgebied van het oude Blambangan bij gerekend zijn. Wikkerman bericht tenminste, dat de eerste telling van het nieuwe regentschap nog geen 300 gezinnen aanwees.

In 1786 werd het bedenkelijke besluit genomen de tot lichte straffen veroordeelde Javanen uit het Gouvernement van Java’s oostkust geleidelijk naar Oost-Blambangan te zenden, “verder ook vrouwspersonen, die hier in een al te grote menigte worden gevonden"; bij besluiten van 1792, 1800 en verschillende besluiten van 1801 werd Oost-Blambangan

[p.1065] tot een geregeld verbanningsoord gemaakt: in 1800 werd de Gouverneur te Semarang weer opgedragen van tijd tot tijd lichtekooien erheen te zenden om het vrouwelijke element te versterken en in 1803 werd weer een besluit tot aanmoediging van vrijwillige emigratie naar Oost-Blambangan geslagen. Maar langs dien weg kwam de wederbevolking niet tot stand.

Wouter Hendrik van Ysseldijk, die in 1798-1799 als Commissaris de Oosthoek bereisde voor een onderzoek naar het gedrag van de Gezaghebber te Surabaya Dirk van Hogendorp, vond Banyuwangi een mooie, maar zeer ongezonde streek (volgens hem een gevolg van de zwavel-fournerende berg Ijen), waar reeds 95 negorijen waren met 667 huisgezinnen, buiten de zogenaamde Latengers, de regentsfamilie, troepen, zeevarenden, militairen, indigomakers en “nog een partij priesters".

Tijdens de toenmalige regent (dus na 1782) zou het getal met 400 gezinnen zijn vermeerderd. De resident Clement de Harris had de hem toegezonden gestraften, 275 in getal, waarvan er 40 in ketens liepen, te werk gesteld op de door hem voor privérekening aangelegde plantage Sukaraja, waar zij peper en koffie kweekten.

Van Ysseldijk gaf last de geketenden uit de ketting los te laten en van Sukaraja een Compagnie-instelling te maken. Maar toen Engelhard in 1803 zijn inspectiereis door Midden- en Oost-Java hield stelde hij voor maar weer tot bet oude systeem terug te keren.

De losgelatenen liepen alle weg, pleegden roof en moord, moesten met levensgevaar weer worden opgevangen; Wikkerman moest de opbrengst der tuinen wel aan zich houden om de gevangenen te kunnen voeden, de plantage was een wildernis geworden.

Deze plantage met gestraften als arbeiders heeft een merkwaardige geschiedenis gehad; in de tijd van het Cultuurstelsel werd hier de nopal-cultuur met cochenille-bereiding uitgeoefend. In 1862 zijn Sukaraja als Gouvernementsplantage en deze vorm van verbanning opgeheven.

Engelhard moest erkennen, dat de kunstmatige immigratiepogingen niet tot vermeerdering der bevolking hadden bijgedragen wegens gebrek aan vrouwen en de absolute ongeneigdheid der bevolking om met deze booswichten iets te doen te hebben of hare dochters aan hen ten huwelijk te geven. Hij was ook de man van de proef met de vrije kolonisatie van de verbannen lieden van Maronde (deze lieden van de kampung Maronde, ten oosten van Batavia, hadden diensten bewezen aan Engelse oorlogsschepen, die Batavia bedreigden, en waren deswege naar Blambangan verbannen; Raffles deed hen in 1814 terugkeren, doch toen waren er nog maar weinige van over) en stelde maatregelen ter verbetering van handel en verkeer voor; zo kwam o.a. veel wegaanleg tot stand en een geregeld postverkeer met Surabaya en verder.

Volgens Epp had het regentschap Banyuwangi in 1848 weer 26000 inwoners.

[p.1066] Nog twee merkwaardige kolonisatie-pogingen uit dit tijdstip verdienen vermelding.

Boven is verhaald, dat in 1777 Nusa Barung van zeerovers werd gezuiverd en te Batu Ulu een wachtpost werd gevestigd en in 1779 te Puger (Klatak) een regentschap werd gevestigd. De regent kon wegens zijn armoede niet beletten, dat Buginese, Blambanganse en Balinese zeeschuimers zich weer neerzetten aan de zuidkust van West-Blambangan, te Wedi Alit.

Nu was er een avontuurlijk Makassaar, die als hoofd erkend werd door 150 Mandarezen en die de nodige vaartuigen bezat, in dienst van de vorst van Buton. Deze had hem slecht behandeld, waarop deze zogenaamde “Kapitein Buton" met vergunning van de raja van Karangasem zich op diens onderhorigheid Lombok vestigde.

Hier had hij slechts waardeloze grond ter ontginning gekregen. Nu wendde hij zich tot de Compagnie met het aanbod de zeerovers van Wedi Alit te verdrijven, mits hij als trouw en schattingplichtig Compagnie-onderdaan die kust mocht exploiteren. Dit werd aangenomen. De commandant van Pasuruhan Van Rijck trok in december 1789 met een paar honderd man over Lumajang naar Puger; Kapitein Buton trok van Batoe Ulu (waar hij vertoefde) naar de baai van Wedi Alit; Van Rijck viel die plaats aan van de landzijde, de zeerovers werden verdreven en bij acte van verband van 19 januari 1790, te Puger getekend, werd Kapitein Buton hoofd en officieel kolonisator van deze kust en in het bezit gesteld dei zeeroverskampung.

Enige jaren ging dit goed, de Mandarezen legden tuinen aan enz. Maar toen kwam het zeeschuimersinstinct bij hen weer boven; zij beroofden schepen, plukten de vogelnestklippen leeg; waarvan de pacht de enige inkomst der Compagnie in Blambangan was, zodat de kapitein-Chinees-pachter van zijn contract moest worden ontslagen; Kapitein Buton richtte er zelfs schade aan door zwavel in de klippen te branden e.d.g.

In maart 1796 werd de vaandrig Phaff met troepen naar Wedi Alit gezonden. Kapitein Buton sneuvelde met een deel zijner Mandarezen; van de overige werd een deel gevankelijk naar Surabaya gebracht en ingelijfd bij het Compagnie-corps Maleiers, terwijl do rest onder Bapa Tima naar Bali ontkwam en de vogelklippen bleef storen.

De G.G. Van Overstraten stelde toen Sura Adiwikrama, een schoonzoon van de Pangeran van Sumenep, tot regent van Puger aan; deze bracht er geschikte Sumenepse kolonisten over en tien jaar later vond Engelhard dit district goed bevolkt.

Minder succes dan deze kolonisatie in het Jemberse had ene in 1799 aangevangen proef met Madurezen uit het Pamekasanse in Noordoost-Banyuwangi. Zekere Wongso of Yudo Kusumo bood aan deze streek te koloniseren, mits men hem daar hoofd maakte. De streek van Kali Tikus tot Kaap Sedano werd hem op bepaalde voorwaarden

[p.1067] afgestaan; hij stichtte daar de vestiging Tjotek, maar het land Is er te schraal en te arm aan regen. Engelhard vond er 63 gezinnen met 201 zielen; Wongso Kusumo was naar Pamekasan teruggekeerd en vervangen door Suro Dilogo.

Het ten koste van zoveel bloed en van acht tonnen goud verkregen Blambangan bracht der Compagnie geen inkomsten aan om de bestuurskosten te dekken. Keijsel (1781-1786) maakte zeer veel werk van de aanleg van nieuwe rijstvelden en Wikkerman evenzo; ook voor de verbetering van Banyuwangi en het fort en voor de zorg van goed drinkwater maakte de laatste zich verdienstelijk. Nadat de bevolking 15 jaar lang was vrijgesteld van alle heffingen, werd in 1786 voor het eerst een klein contingent van 40 kojan rijst aan de Compagnie geleverd. Voorts had deze nog geringe inkomsten uit de pacht van de vogelnestklippen en sedert 1790 uit de heffing van in-en uitvoerrechten.

Sedert 1786 leverde Banyuwangi ook wat indigo; verder een weinig koffie en kardemom. Het sapanhout, vroeger van enige betekenis in Blambangan, was door roofbouw verdwenen. Andere producten waren: enig timmerhout, gemuti (aren-vezels) en ‘cayer’ (coir, klappervezels).

Men had sedert 1771 ook onderzoek gedaan naar de parelriffen in de baaien van Ulu Pampang en Grajagan en was ook tot exploitatie gekomen, maar de opbrengst was gering, wel schelpen, maar geen parels. Tot heden toe worden daar nog parelmoerschelpen gewonnen.

Van enig belang voor de Compagnie was de zwavel van den Ijen, de beste in kwaliteit en in voldoende hoeveelheid om bijna de gehele behoefte der Compagnie voor de Constructiewinkel te Surabaya te dekken.

Literatuur. Behalve de in de tekst genoemde publicaties van De Jonge c.s., Opkomst; Krom; Leupe; Bosch; Veth; Meisma, Gesch. v. Java; Babad t. Djawi: Hageman; Brandes, en enkele bladzijden bij Van Hoëvell, Reis over Java, Madoera en Bali 1856, en een deel van Broersma, Besoeki, een gewest in opkomst, 1913, handelen over de afdeling Banyuwangi in het bijzonder: Epp, Banjoewangi, Tijds. v. N.-I. 1849, II, 241; Eenige meded. omtrent Banjoewangi, Bijdr. Kon. Inst. III-I (XIII, 18661 p 387; E. Stöhr, Die Provinz Banjuwangi, Abhandl. Senckenb. Naturf. Ges. IX, 1874; Oro-hydr. beschr. v.d. afd. Banjoewangi, Tijds. v. Nijv. en L. N.I. 48, 1894, p. 354; L.F. van Gent. De Afd. Banjoewangi, M. k. Jaarv. Top. D. in N.I. VIl over 1911, p.199.

Source: C. Lekkerkerker - Balambangan, in: Indische Gids, 1923, Jrg. 45, deel II, p.1030-1067.

This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it. research: Godi Dijkman http://guidomansdijk-talen.nlsocial facebook box white 24