Sanghyang (Soekawati, 1925)

This article is a rendering of ‘De Sanghyang op Bali, door Tjokorda Gde Raka Soekawati, Punggawa Ubud - Gianyar’ (1925; see source below). For reasons of research and to enhance readability, the following adaptations were made: modern Balinese, Dutch & Indonesian spelling & place names (except titles).

[p.320] De rol, die de Sanghyang vervult in de Balinese maatschappij is het beschermen van de mensen tegen boze geesten en beoefenaars van de zwarte kunst. Het geloof aan boze geesten en heksen (leyak = desti) bestaat nog onder da Balinezen in sterke mate.

Zo wordt o.a. verteld, dat op bet eiland Nusa Penida een machtige geest zetelt, genaamd Jero Gde Mecaling, die de bewoners van Bali jaarlijks, meestal tussen de 6e en de 9e Balinese maand kwelt met allerlei ziekten zoals koorts, hoofd- en buikpijn, braken, diarrhee enz.

soekawati1925 01

foto 1. Sanggar Agung geplaatst naast de gedong pesimpenan met de Pemangku ervoor. In de Sanggar Agung bevinden zich de offeranden, bestaande uit sesantun peras, ajengan en 2 wierookpotjes.

Men zegt, dat tegen die tijd de kustbewoners ‘s avonds vaak een grote vuurbol uit Nusa Penida zien aankomen, die zich op bet zeewater neerzet. Zodra die vuurbol bet water aanraakt, verdeelt hij zich ogenblikkelijk in duizenden vonken, waardoor de zee op een vuurzee gelijkt.

Na een poosje gaan al die vonken langzaam net land in, waar ze dan hun verwoestende arbeid verrichten. Wanneer ze eenmaal het land zijn ingedrongen. dan doven de vonken in eens uit en het land is in duisternis gehuld.

Er wordt gezegd, dat wanneer de vonken uitdoven, de bewoners van de plaats, waar ze zijn binnengedrongen niets van dat alles merken, doch dat de mensen van een naburige kustplaats dat wel zien. Het is alsof de eerste kustplaats in brand staat en zich in de gloed van een vuurzee bevindt.

Bijvoorbeeld: wanneer de vonken de kustplaats Ketewel binnendringen, dan merken de bewoners van Ketewel dit niet, doch wel de mensen van Rangkan, een kustdesa, die vlak hij Ketewel ligt.

Zijn de vonken eenmaal 't land binnengedrongen, dan beginnen de honden - die op Bali in zeer groten getale aanwezig zijn - te huilen langs de wegen of ze verzamelen zich op de viersprongen en men hoort geen menselijke stem meer.

De vrolijke tonen van de gamelan, die men op Bali anders in bijna elke bale banjar hoort, verstommen. Overal heerst stilte. In de huizen hoort men niet meer de stemmen van mensen die anders gewoonlijk de oude Hindu-gedichten (Ramayana, Baratayuda enz.) zingen (mekekawin). Alles is doodstil en men verkeert in algemene vrees. Deze vrees wordt des te meer gevoeld, wanneer de caäk of kelik-kelik (= nachtvogels) nu en dan hun snerpend nachtgeluid laten horen, hetwelk volgens de bijgelovige Balinees de nabijheid van de dood aankondigt.

Van deze gelegenheid maakt dan ook de desti (leyak) gebruik, om zijn onheilbrengende taak ten uitvoer te brengen.

Desti's of leyaks zijn wezens, die een andere gedaante hebben aangenomen. Zij kunnen zich veranderen in vuur (endih) - naar men zegt is dit de meest voorkomende vorm van metamorfose - in een silhouet, in een schaduw, in een stuk wit doek, in een aap, in een varken, in een grote vogel etc. (Zie P. de Kat Angelino over de Leak op Bali, Tijdschrift Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Deel LX aflevering 1-2).

In die gedaante belaagt de desti zijn medemens. Eerst maakt hij hen ziek, en ten slotte veroorzaakt hij zijn dood.

Tot wering van de verderfelijke invloed van de zwartekunst (pengiwa) en

soekawati1925 02foto 2. Sanghyang Jaran van voren gezien.

[p.321] van boze geesten bedient men zich op Bali van velerlei middelen.

In de eerste plaats brengt men offers aan de boze geesten om hen zodoende te vriend te houden. Men ziet dan ook op Bali, dat de mensen, vooral de kustbewoners, die ‘t meest van hen te vrezen hebben gedurende de maanden 5 t/m 9, op kliwon-dagen offers (de z.g. mecaru) brengen aan de boze geesten, om hen gunstig te stemmen.

Een ander middel bestaat daarin, dat men den invloed van boze geesten en leyaks met kwaadbezwerende toverspreuken (penengen) bestrijdt.

Verder kan men ook de hulp van goede geesten inroepen. Dit gebeurt op verschillende wijzen. Men heeft de z.g. barongs, waarin de goede geesten zich vestigen om de mens te beschermen tegen de kwade invloeden van boze geesten an leyaks. (Over barong zie J. Kats Djowo…)

Men verjaagt verder de boze geesten met behulp van het z.g. “ngrebeg". Bij deze gelegenheid gaat de bevolking van de desa op een van te voren uitgezochte goede dag, naar een van de plaatselijke tempels, b.v. de Dodentempel, om wijwater te vragen. Dit geschiedt na vooral geofferd te hebben. Met dat wijwater gaat men dan langs alle desawegen, waarbij men veel lawaai maakt, door op trommen, blikken etc. te slaan, door te schreeuwen, enz. Ten slotte kan men ook de Godheid smeken, tijdelijk op aarde neer te dalen, om de mensen te beschermen tegen de boze machten.

Hierin nu vindt men de oorsprong van de Sanghyang. Het doen neerdalen van de Godheid geschiedt in één van de heilige tempels van de desa, meestal in de Dodentempel (Pura Dalem). Naast de “gedong pesimpenan'' - de eigenlijke zetel van de Godin v.d. Pura Dalam - maakt men een “sanggar agung" - een tijdelijke offertafel, vervaardigd van pinangboom en bamboe. Hierin plaatst men de nodige offeranden, bestaande uit de z.g. pras, ajengan en sesantun (zie foto 1).

Ook zet men naast die offers twee pasepans, (wierookpotjes) met brandende wierook waarbij tevens hout met een welriekende geur gebrand wordt (dadap cendana- en majegau-hout). Op de grond vóór de bovengenoemde gedong pesimpenan wordt een mat uitgespreid en hierop plaatst men twee pasepans met brandende wierook als boven vermeld.

soekawati1925 03

foto 3. Sanghyang Jaran van ter zijde gezien.

De meisjes of jongens, die bestemd zijn voor Sanghyang nemen plaats vlak achter de pasepan. Jongens en meisjes kunnen echter niet tegelijk optreden. Dit hangt af van de Godheid, wier gunst men afsmeekt.

Is het een Godin (hemelnimf - widyadari) dan gebruikt men meisjes. Daarentegen neemt men jongens bij de aanroeping van een God (engel).

In het begin neemt men een proef met een groot aantal jongens of meisjes. Zodra het vaststaat, aan wie van de meisjes of jongens de gunst van de Godheid ten deel is gevallen, gebruikt men voortaan altijd die kinderen. Het aantal der Sanghyangs is bij meisjes gewoonlijk twee, bij jongens één. In 't eerste geval spreekt men van Sanghyang Dedari en het tweede geval van Sanghyang Jaran.

Deze laatste naam ziet waarschijnlijk op het feit, dat de jongen vaak een houten paard tusschen de benen houdt (zie foto 2 en 3).

Bij de Sanghyang Dedari plaatst men de aangewezen meisjes achter de bovengenoemde brandende pasepan. Achter ieder meisje zit een helpster, een meisje van een jaar of 16 (zie foto 4).

De leiding bij dit ‘Nudus’ (beroken) berust bij een pemangku (lagere priester of tempelwachter).

[p.322] Eerst offert bij aan de Godin van de Pura Dalem, nl. Godin Giri Putri zelf, om Haar te danken voor de verleende plaats in Haar tempel en om Haar te verzoeken de bede van Haar dienaren aan de aangezochte hemelnimfen over te brengen, waardoor deze bereid zullen zijn, op aarde neder te dalen. Ten slotte verzoekt men de Godin van de Pura Dalem, om gedurende de plechtigheid de mensen te beschermen tegen boze geesten en leyaks, die wellicht zullen trachten het werk te verstoren.

soekawati1925 04

foto 4. Sanghyang Dedari. De aangewezen meisjes plaatst men achter de brandende pasepans. Achter ieder meisje zit een helpster, een meisje van ongeveer 16 jaar. Achter deze zit een troep zangeressen. 

Bij voorkeur neemt men de heiligste tempel als plaats der plechtigheid. Hier toch durven de leyaks en boze geesten niet zo gauw komen, om hun werk te verrichten.

Verder smeekt de pemangku zelf de gunst van de aangezochte hemelnimf (Supraba) af door het prevelen van enige spreuken.

De behandeling geschiedt als volgt: De meisjes, die achter de pasepan zitten en die reeds gedeeltelijk in het Sanghyang-kostuum gestoken zijn, bewegen het bovenlijf langzaam naar links en rechts, het gezicht steeds boven de rook van de pasepan houdende. Ondertussen wordt de z.g. gending penudusan gezongen, door een groep vrouwen, die achter de Sanghyang zitten. Zij gaan hiermee zo lang door, tot de meisjes in trance raken (zie foto 5).

In den beginne zingen ze heel langzaam en slepend. Geleidelijk gaan ze over tot een vlugger tempo, zodra te merken valt, dat de meisjes bijna in vervoering raken. Dit laatste is te zien aan haar bewegingen

In 't begin bewegen de meisjes bet hoofd langzaam heen en weer. Wanneer ze bijna in trance raken, warden de bewegingen vlugger en vlugger, totdat zij plotseling achterovervallen. Ze worden dan opgevangen door de helpsters, die, zoals boven vermeld, achter haar zitten.

soekawati1925 08 sanghyang melodie

Die gending penudusan luidt als volgt:

1. Kembang jenar mangundang Dedari Agung, dane becik-becik undang, Ni Supraba nunjung beru.
2. Nunjung beru mengrangsuk menganggo-anggo, menjalukin baju mase, mlas miber magegana.
3. Magegana mangiluk ngaja-ngaja kanginang, Jalan Dedari metangun jero, tamane bek misi sekar.
4. Sekar emas sandingin pudak anggrek guringsing, Tigekancu manas soli sempol, kedapane malelepe.
5. Malelepe makebiyur ketaman sari, lamoen nudua kadewatan, turun Dedari Kendran.

Vertaling van de zang:
1. Men is verheugd een voorname Dedari te hebben uitgenodigd, de beste die men kan uitnodigen, is Supraba, die te vergelijken is met de blauwe lotus.
2. Als de blauwe lotus is zij, wanneer ze zich in haar kostuum heeft gestoken, ze trekt haar gouden baadje aan, en zweeft door het luchtruim.
3. In het luchtruim zweeft ze zigzagsgewijze in de richting noordoosten, daar is de plaats, waar de hemelnimfen haar paleis bouwen, welks tuin geheel met geurige bloemen beplant is.
4. Daar groeien ook gouden bloemen, waarnevens zich pudak en orchideeën bevinden, welriekende tigekancu, ananas- an sempol-planten zijn er ook te vinden, welker jonge bladeren, lieflijk omlaag hangen.
5. Lieflijk omlaag hangend, verspreiden ze haar welriekende geur door heel de tuin, bij de Sanghyang moeten wij onze gedachten naar de hemel richten, dan zullen de hemelnimfen uit de hemel neerdalen.

Nadat de meisjes achterover zijn gevallen, vegen de helpsters haar gezicht, dat door den rook wat vuil is geworden, met een witte doek af. Daarna binden zij ieder meisje een witte doek om het hoofd om heur haar bijeen te houden.

soekawati1925 05

foto 5. Nudus (beroken van de meisjes).

Ten slotte krijgen ze ieder een gelungan op het hoofd. Bij het opzetten van de gelungan wordt een daarvoor bestemde zang gezongen, welke als volgt luidt:

1. Gelung agung mabulengker tanjung, betitis garude moengkur, ye sandat sempole nyunarin, sandat-sandat gubah anggen susun.

Vertaling: 1. De voorname haartooi, welke omkranst is met tanjung-bloemen, is voorzien van een diadeem en garuda mungkur, die mooier wordt, doordat de sempol-bloem er haar licht op laat vallen. Ze worden nog schoner door de aanwezigheid van aaneengeregen sandat bloemen.

Het kostuum van de Sanghyang la ongeveer gelijk aan dat van de legong. Het is echter veel eenvoudiger en bevat veel minder prada-werk. De kain van de Sanghyang is meestal egaal wit, terwijl die van de legong gewoonlijk van prada (opgelegd bladgoud) is voorzien.

Na de bovengenoemden zang wordt door de pemangku de banten pasegeh (= segan) geofferd. Het doel van dit offeren is, eten te geven aan eventueel meegekomen volgelingen van de Godheid, die in de Sanghyang zetelt. Deze segan bestaat uit rijstballen, uien, jahe, lombok en zout. Ook behoort bij de segan de canang.

soekawati1925 06

foto 6. De Sanghyang met een troep zangers achter zich.

Wanneer dit alles afgelopen is, maakt de Sanghyang wijwater (penawar, geneeskrachtig water). Dit bevindt zich in een klapperdop (sibuh cemeng). Hierin worden 3 stukjes jonge dadap-takjes gelegd, die door een benang tridatu (3 kleurige draden, nl. rood, zwart en wit) bij elkaar worden gebonden. Daarbij behoort ook het canang-offer. Dit alles, geplaatst op een bokor (houten of metalen blad) houdt de pemangku voor de Sanghyang, terwijl hij in de gewone Balinese taal tot haar zegt:

“Ratu Betara sepiyane nunas penawar, mangde sami pada rahajeng."
[Vertaling:] “Godheid, Uwe dienaren vragen om penawar (een afweermiddel), opdat het ons allen wel moge gaan."

Hierna prevelt de Sanghyang onverstaanbare woorden, terwijl ze met haar vingers een mudra maakt. Deze penawar is geneeskrachtig en dient ook als afweermiddel tegen kwade invloeden van de boze elementen. Bij de aanwending van dit middel wordt vooral het voorhoofd daarmee besprenkeld.

[p.324] Wanneer in de kampong iemand ziek is, vraagt men voor hem of haar medicijnen aan de Sanghyang. Een van de familieleden van de zieke deelt de pemangku mee, dat een van zijn bloedverwanten lijdt aan deze of die ziekte en dat de zieke gaarne medicijnen van de Sanghyang zou ontvangen. Hierbij brengt men het z.g. sesantun-offer aan de Sanghyang.

De pemangku brengt dit verzoek aan de Sanghyang over. Deze noemt dan de namen van planten of kruiden, welke als medicijn moeten worden gebruikt.

Soms geeft de Sanghyang bovendien basma, d.i. een ui of kesune en jangu (knollensoort) als afweermiddel (tetulak) tegen boze geesten en leyak. Met die basma worden het voorhoofd, de fontanel, de gewrichten en de voeten van de zieke ingewreven. De rest legt men onder het hoofdkussen, tot het geheel verdroogd is.

soekawati1925 07

foto 7. De Sanghyang met een troep zangers achter zich.

Wanneer dit alles is afgelopen, wordt door de vrouwen een lied gezongen, waaruit de Sanghyangs blijkbaar begrijpen, dat ze moeten gaan staan. Die zang luidt als volgt:

“Dewa Ayu metangi Dewa metangi, juru ye kidung sampun rawuh, mengambelang gending Sanghyang.”
Vertaling. “O, lieve hemelnimf sta op, de zangers zijn reeds gekomen, om de Sanghyang-zang voor U te zingen.”

Als er in de desa een epidemie, of een algemene plaag heerst, dan draagt men de Sanghyang langs alla wegen om de ziekte en de kwade invloeden van boze geesten en leyaks te verdrijven. Bij deze omgang gaat het grootste gedeelte van de inwoners van de desa mee.

Indien dit niet het geval is (geen epidemie, geen algemene plaag) brengt men de Sanghyangs gewoonlijk naar een ander tempelerf, waar men ze voor tijdverdrijf laat dansen. Ook komt het voor, dat men de Sanghyang naar een nieuw tijdelijk gebouw brengt, dat speciaal voor de Sanghyang gemaakt is. Dit gebouw plaatst men gewoonlijk voor een tempelerf, of op een open terrein aan de kant van de weg in de desa. In dat gebouw brengt men de nacht gezellig door.

Bij het dansen wordt door vrouwen en mannen om de beurt gezongen. Wanneer de zangeressen en zangers moe zijn dan vervangt men de zang soms door gamelanspel. Gewoonlijk gebruikt men voor dit doel de semar pegulingan.

De dans van de Sanghyang volgt de zang of de gamelanmuziek. Speelt men b.v. gending pelegongan, dan dansen de Sanghyangs net als de legong. Speelt men daarentegen de gending baris, dan dansen ze evenals de baris. Dit dansen hebben de meisjes niet geleerd. Ze dansen trouwens alleen wanneer ze in trance raken. In 't gewone leven kunnen ze niet dansen.

Wanneer de mensen moe zijn, meestal heel laat in de nacht, dan houden zij op en de Sanghyangs worden dan tot de werkelijkheid teruggebracht. Dit gebeurt als volgt:

Eerst offert de pemangku het canang-offer en prevelt enige gebeden. Daarna zingt men de z.g. gending ngantukang Sanghyang (een lied om de Godheid terug te brengen). Dit luidt:

1. Mantuk Dewa umantuk, mantuke kasuralaya, malih kawonge, I Dewa katuran budal.
2. Mabakti Dewa mabakti, mangarepin sanggar agung, tutugang Dewa pangtelu, (…)
3. Mangadeg Dewa mangadeg, mengambil sibuh kencana, madaging tirta empul, yeh hening suda mala.
4. Sekar jepun angkitang ratna madori putih, teleng petak tunjung beru, ngambil tirta sanggar agung, tirta hening sibuh emas.
5. Toya pemastu, pekaryan sakeng swarga, ketisin ragene Dewa, raris maketis.
6. Mantuk maring ileh-ileh, angin tarik, urung aniya, waluya dadi manusa

Vertaling. 1. Ga naar huis, o, Godheid, ga naar huis, terug naar de hemel, neem Uw eigen gedaante weer aan, wij verzoeken U terug te keren.
2. Wij bidden, o, Godheid, wij bidden, gezeten voor de sanggar agung, wij doen het tot driemaal toe, (…)
3, Sta op, o, Godheid, sta op, neem de gouden kokosdop in Uw hand, daarin vindt U de tirta empul (water uit de heilige bron van Tampaksiring), dat water is helder en smetteloos.
4. Daarbij hebt U ook kamboja-bloemen, aaneengeregen ratna en witte madori, witte teleng en blauwe lotus, Neem het wijwater van de sanggar agung, dat wijwater is helder en bevindt zich in de gouden klapperdop.
5. Dat is t reinigingswater, bereid in de hemel, besprenkel U ermee, o, Godheid, ga over tot het besprenkelen.
6. Ga naar het ruim terug, de wind waait hard, ga met hem mee, en gij keert terug in menselijke gedaante.

Wanneer de meisjes nog half suf zijn dan maakt men haar gezicht nat met het door de Sanghyang gemaakte wijwater. En als ze volkomen tot de werkelijkheid zijn teruggekeerd, brengt men haar naar huis, waarna allen zich ter ruste begeven.

De meisjes of jongens, die voor Sanghyang spelen, leiden gedurende de Sanghyang-tijd een bijzonder leven. Ze mogen niet doen als andere kampong-kinderen. Zo is het hun verboden onder een bed te kruipen, bet overschot van de maaltijd van een ander te nuttigen, zelfs indien die persoon hoger van kaste is dan zij (wat anders wel mag worden gedaan). Ze mogen geen ruwe woorden bezigen, niet schelden enz. enz. Kortom ze moeten rein leven. Gedurende den Sanghyang-tijd worden ze door de kampongbewoners hoog vereerd. Wanneer ze in trance zijn, mogen ze niet lopen, maar worden in een draagstoel van de ene naar de andere plaats gedragen, waarbij haar een zonnescherm boven het hoofd wordt gehouden.

Tijdens den Sanghyang-tijd worden de ouders van de Sanghyangs door de desa-lieden vrijgesteld van alle desa- en pura-plichten. Ook worden ze door de desa vrijgesteld van herendienst. Hun werk wordt als- dan verricht door de gezamenlijke desa-genoten (napuk).

Het is een zeker voorrecht en een geluk om Sanghyang te worden.
Ubud, 5 augustus 1925

Source: ‘De Sanghyang op Bali, door Tjokorda Gde Raka Soekawati’, in: Djawa, Tijdschrift van het Java-Instituut, onder redactie van Prof. Dr. R. Djajadiningrat et al., vijfde jaargang, 1925, pp.320-325

This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it. research: Godi Dijkman http://guidomansdijk-talen.nlsocial facebook box white 24